Een liefdesverklaring

Essay over lezen, deel I

 

Lezen opent een wereld waar je nooit geweest bent

 

Waar anders kruip je urenlang in het hoofd van een dertigjarige man die strijdt tegen zijn pedofiele gevoelens[1], waar anders voel je de tragische en tegelijk hilarische worsteling van een jonge kantoorklerk met de absolute leegheid van het bestaan[2] en waar anders ontmoet je een vrouw die onder het toeziend oog van de dichter Osama bin Laden het merk champagne kan herkennen in de Golden Shower van haar minnaar[3]?

 

Mijn moeder leerde talloze kinderen lezen, dat gaf haar een enorme voldoening. In de ogen van de buitenwereld stelde het lesgeven in groep 3 en 4 van de basisschool niet zoveel voor; dergelijke leerstof is zo simpel, dat kan toch iedereen? Hen ontgaat het fundamentele inzicht dat het niet gaat om het niveau van de stof maar om de hersenen van de leerlingen (en bij elke leerling gaat het net even anders) zo te bewerktuigen dat zij de sprong van abstracte tekens naar betekenisvolle begrippen maken[4]. Zij voelde dat haarscherp aan en schepte tijdens verjaardagspartijtjes vrolijk op dat het leren lezen de belangrijkste mijlpaal is in je schoolloopbaan. Al het andere is meer van hetzelfde. Lezen opent een wereld waar je nog nooit bent geweest, een wereld waar geen einde aan komt.

 

Vrijwel iedereen[5] leert op school lezen, maar met een geweldige drive kun je in je eentje een heel eind komen. Maarten ’t Hart verhaalt[6] dat hij tot op het bot gemotiveerd was om te leren lezen, hij wist: in klas één gaat het gebeuren! De avond voordat hij naar school ging verklaarde hij tegen zijn vader dat hij de volgende dag zou kunnen lezen. Dat viel enigszins tegen, na de eerste schooldag kende hij alleen de letter A. Hij liet het er niet bij zitten, nam de krant en streepte alle A’s aan. Zijn vader wees de B aan en zo zat Maarten elke avond als een boekhouder letters aan te strepen. Op die manier duurde het slechts een paar weken voordat hij kon lezen hoe het hondje Tippeltje de wijde wereld introk. Het werd zijn mooiste verhaal ooit.

Marjolein de Jong vertelt[7] dat zij als vijfjarige bij haar oma en opa een oude typemachine vond. Die machine met al die letters als hamers intrigeerde haar; tegelijkertijd frustreerde het haar dat zij er niets mee kon. Uit pure wanhoop begon ze boeken over te typen en leerde zichzelf lezen. En dus verveelde zij zich op school te pletter; na korte tijd zei ze tegen de juf: ‘Dit kan ik allemaal al’, mocht meedoen met de volgende groep en regelde zelf dat zij de eerste klas oversloeg. Haar ouders hoorden het pas achteraf.

 

Het beeld is almachtig

Op een zomerfestival over boeken wees de schrijver van dienst[8], Pieter Waterdrinker op zijn publiek: ‘We staan hier aan de graf van de Nederlandse literatuur. Kijk maar goed om je heen, iedereen hier is boven de zestig, binnenkort zijn ze allemaal dood en dan leest er niemand meer. Dan is het gedaan.’

 

Het gaat bergafwaarts met het lezen. De cijfers[9] wijzen op een neergaande lijn: in 1975 werd er 6,5 uur aan lezen besteed, in 2011 was dat nog maar 2,5 uur. In 2006 las 65% van de jongeren wel eens een boek, in 2018 was dat nog maar 40%, bij jongvolwassenen (20-34) is de daling van 87% naar 49%. De daling van de leestijd komt vooral door de daling van het aantal lezers. Het is niet dat mensen steeds minder lezen maar dat steeds minder mensen lezen. De daling van het aantal lezers zit vooral bij mensen jonger dan 35 jaar en bij laag- en middelbaar opgeleiden. De ontlezing bij deze groepen loopt parallel met de opkomst van de schermen. Schermen zijn gebouwd voor afleiding[10], alles is erop gericht om je aandacht vast te houden. En dat is succesvol, jongeren zijn vastgeklonken aan hun telefoon (‘nog even enemies killen’) en als ze al teksten lezen, zijn het enkel korte teksten. Het is al heel gauw TLTR (too long to read). Lezen is niet goed te combineren met een scherm. Zodra er een scherm wordt aangezet lekt de aandacht bij het boek weg. De heerschappij van het beeld is al eerder gesignaleerd: ‘Het beeld is almachtig. Het beeld zij geprezen dat er slechts weinigen zijn die hun plicht verzaken en zich overgeven aan zondige bezigheden als lezen, spelen of zelfs praten.[11]

 

Presse, halt das Maul!

Is het slecht dat er steeds minder literaire verhalen, romans en gedichten worden gelezen? De Belgische schrijver Stefan Hertmans vindt van wel. In zijn Albert Verweylezing[12] in Leiden sombert hij er lustig op los. Hij ziet een verval van de literaire geletterdheid, er is veel meer aandacht voor de beeldcultuur, non-fictie, romans over herkenbare problemen, zelfhulpboeken en flodders van politici. Met veel instemming haalt hij Mort du dernier ecrivain van Maurice Blanchot uit 1959 aan; hierin wordt voorspeld dat er na de dood van de laatste echte schrijver niet meer te ontkomen is aan een eindeloos gemurmel. Door de manipulatiemogelijkheden van de nieuwe technologie ontstaat er tevens een fundamentele waarheidscrisis. De status van het geschreven woord implodeert, het woord is niet meer de autoriteit maar de onophoudelijke ruis: het gemurmel heeft het woord gedood. Hertmans ziet de vele uitingen in de sociale media als de verwerkelijking van die voorspelling.

 

Natuurlijk, mensen slikken niet alles meer voor zoete koek, accepteren geen halve waarheden en worden niet meer door het woord onder de knoet gehouden. Maar wat is er voor in de plaats gekomen? Mensen slaan terug met ‘meningen’, hearsay, knippen, plakken en kopiëren er lustig op los en verdedigen Facebookfabulaties als ultieme waarheden. Er is sprake van een rizoom: een soort voortwoekerende tekstplant die alles inpalmt dat op zijn weg komt. Het ouderwetse kritische denken uit de 20e eeuw is uitgemond in een alles bekritiserende wildgroei waarbij niets meer geloofd hoeft te worden en alles evengoed kan worden gewantrouwd zonder dubbelcheck. De geijkte kanalen van het geschreven woord worden gewantrouwd, typerend was de leuze bij een demonstratie in Duitsland: ‘Presse, halt das Maul!’

 

Een heuse schrijver bouwt een muur tegen de oceaan van alledaagse prietpraat, een echte schrijver herstelt de stilte. Maar terwijl het krediet van de pers en intelligentsia voortdurend afkalft is er tegelijkertijd de authenticiteit van het directe, gesproken woord en wordt iedereen die met wat drama rondtoetert in de media, op zijn woord geloofd. De vox populi: niet de feiten maar de emoties die de feiten hebben opgeroepen, niet de feiten maar de anekdotes. De opkomst van de ruis, de communicatie losgezongen van elke toetsing gaat hand in hand met het verval van de status van het oude bedachtzame kritisch neergeschreven woord.

 

Hertmans weet niet hoe het afloopt. Hij ziet dat de literatuur nog steeds bestaat, de macht van het geschreven woord bestaat ook nog altijd: kijk naar totalitaire heersers die nog immer geobsedeerd zijn om schrijvers monddood te maken. Maar tegelijk is er de cultuur dat alle waarheden tegelijk aanwezig zijn, dat er sprake is van woordinflatie en een overkill van woorden in losse contexten zonder enige vorm van duiding.

 

(Later verschijnen de andere delen: De docent als verloskundige [deel II], Lezen als therapie [deel III] en Crisis in het leesonderwijs [deel IV].

 

[1] Schilperoord, I. (2015). Muidhond. Amsterdam: Uitgeverij Podium.

[2] Reve, G. (1947). De avonden. Amsterdam: De Bezige Bij.

[3] Mutsaers, C. (2008). Koetsier Herfst. Amsterdam: De Bezige Bij.

[4] Zie bijvoorbeeld de publicaties van Jelle Jolles, hoogleraar Neuropsychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam te vinden op o.a. jellejolles.nl en tienerbrein.nl

[5] In deel 3 ga ik in op het leesonderwijs on de basisschool.

[6] Hart, ’t M. (1985). Som der misverstanden. Het lezen van boeken. Amsterdam: Singel Uitgevers.

[7] Trouw, 20 oktober 2018.

[8] De Volkskrant, 6 juli 2018.

[9] SCP (2018). Lees:Tijd. Lezen in Nederland. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.

[10] Raad voor Cultuur (2018). De daad bij het woord. Den Haag: Raad voor Cultuur.

[11] Beeldreligie (1963), satirisch nummer uit het tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer.

[12] Hertmans, S. (2018). De fictie en de feiten. Albert Verwey-lezing, Universiteit Leiden.