‘Meester, ik ben altijd druk want ik heb ADHD’

 

De visie van Paul Verhaeghe,

hoogleraar psychodiagnostiek 

 

Het ‘hebben’ van ADHD is een misverstand.  De redenering ‘het kind let niet op en zit nooit stil omdat het niet oplet (attention deficit, AD) en niet stilzit (hyperactivity, H)’ is een prachtig voorbeeld van een cirkelredenering die gecamoufleerd wordt door de Engelse termen. 

Het is lastig om een goede diagnose te maken voor niet-lichamelijke aandoeningen.  Het kwam in de 19e eeuw regelmatig voor dat verschillende artsen bij een en dezelfde aandoening tot geheel verschillende diagnoses kwamen. Dat stelt niet erg gerust.

 

De methode die nu in Nederland wordt gehanteerd komt uit de Verenigde Staten. Daar was de ambitie in de jaren zestig van de vorige eeuw om met behulp van vooraanstaande psychiaters nu eens echt wetenschappelijke diagnoses te maken. Dit resulteerde in een handboek: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Het uitgangspunt was om met vakgenoten goed te kijken naar mentale stoornissen (geen ziekten, er is namelijk geen bewijs voor medische oorzaken) en vervolgens tot overeenstemming te komen over wat zij zien.

 

Vanaf 1968 verschenen er verschillende versies van het handboek. Met elke nieuwe versie kwamen er wijzigingen, zo kwamen er flink wat nieuwe stoornissen bij: het aantal groeide van 182 naar 347. Bovendien werden de criteria om een diagnose toe te kennen, versoepeld. Dat leidt ertoe dat volgens de voorman van de Nederlandse psychiaters, Damiaan Denys, 42 procent van de Nederlanders zou voldoen aan de criteria van een psychische stoornis.

 

De naam DSM is nogal verwarrend. Het heeft met statistiek nagenoeg niets te maken en ook niet met diagnostiek: het gaat om beschrijvingen van gedragingen en emoties die ‘horen’ bij een bepaalde stoornis.  Die beschrijvingen worden uiteindelijk aan de vergadertafel van experts vastgesteld. Dat leidt lang niet altijd tot helderheid. Een voorbeeld aan de hand van de borderline persoonlijkheidsstoornis. Hiervan worden negen kenmerken opgesomd met de bepaling dat iemand de diagnose krijgt als hij aan vijf van de negen kenmerken voldoet. Dan is het volgende mogelijk: patiënt A voldoet aan kenmerken 1 t/m 5 en patiënt B aan kenmerken 5 t/m 9. Beiden krijgen de diagnose borderline terwijl ze maar een gemeenschappelijk kenmerk hebben.

 

Daar komt nog bij dat het inschatten van gedragingen en emoties lastig is, de constatering  ‘inadequate, intense woede’ of ‘lijkt vaak niet te luisteren’ zal per persoon verschillen, het blijft een subjectieve beoordeling.

Het zal daarom niet verbazen dat de DSM niet erg betrouwbaar is. De proef op de som: meer dan duizend ervaren doktoren kregen de vraag voorgelegd welke diagnose hoort bij een klinische beschrijving. Er kwamen 29 (!) diagnoses uit de bus terwijl de opsomming van de kenmerken van de patiënt gebaseerd was op één DSM-rubricering. Er is daarom verder onderzoek gedaan. De mate waarin experts onafhankelijk van elkaar aan een patiënt dezelfde diagnose geeft wordt uitgedrukt in een meeteenheid, uit een nauwkeurig onderzoek bleek dat de betrouwbaarheidsscore net zo laag waren als in het pre-DSM-tijdperk. Kortom, er is alle reden om voorzichtig om te springen met allerlei DSM-achtige labels.