Lekker flipperen

In het begin van mijn docentenbestaan raakte ik behoorlijk gefrustreerd. Ik deed mijn best om een moeilijk onderwerp goed & duidelijk uit te leggen. Schema’s, aantekeningen, metaforen, de hele rataplan haalde ik uit de kast. Dan volgde de toets en mocht ik achtentwintig proefwerken nakijken.

 

Dat was niet altijd een feest, zo nu en dan ontsnapte er een onparlementaire uitroep, had ik daar nou zo mijn best op gedaan? Die stomme leerlingen hadden soms grote onzin van mijn prachtige lessen gemaakt. Het rode potlood maakte overuren en na afloop zocht ik troost in de fles.

 

Het misverstand zit ‘m in de vooronderstelling dat een goede docent een docent is die goed is in het overdragen van kennis. Het woord overdragen zet je op het verkeerde been, het is een ondeugdelijke metafoor. De Mexicaanse griep kan overgedragen worden, kennis niet.

 

Emeritus hoogleraar Gerard Westhoff legt in zijn boekje Leren overdragen uit hoe dat zit. Er is geen fysieke verhuizing van kennis van de ene persoon naar de andere, het verwerven van kennis is een proces dat zich in de persoon afspeelt. Dat proces van kennisverwerving kun je hooguit stimuleren. Wanneer we graag willen dat leerlingen hun hersens gebruiken is het van belang om te weten hoe die hersens werken.

 

Om te beginnen laat ons brein, om overbelasting te voorkomen, maar weinig informatie toe: circa 10% van het totale aanbod; het brein heeft een strenge portier. Extra complicatie is dat elke leerling zijn eigen portier heeft, met andere woorden wat er binnenkomt verschilt van leerling tot leerling. De brokstukken die doorgelaten worden komen in het werkgeheugen, daar wordt informatie geanalyseerd en gecombineerd met andere stukken informatie. Het werkgeheugen is dus als het ware de werkplaats waar kennis gemaakt wordt, daarna wordt deze kennis doorgesluisd naar het lange termijngeheugen.

 

Een docent kan dus niet bepalen wat de leerling leert, hij kan wel bevorderen dat de leerling veel leert door de activiteiten in het werkgeheugen te prikkelen. Wat er precies in het werkgeheugen gebeurt heb je niet onder controle maar je kunt er wel voor zorgen dat het werkgeheugen op volle toeren draait. Hij vergelijkt het stimuleren van een leerproces op het spelen met een flipperkast. Je kunt er niet bij maar je kunt wel proberen om de score te maximaliseren door veel ‘leerhits’ te maken en de bal zo lang mogelijk in het spel te houden, dat wil zeggen om leertaken zo te maken dat de leerling herhaaldelijk in de weer gaat met de stof op verschillende manieren. Hij zegt daarmee dat het uitgangspunt is om uit te gaan van activiteiten waar leerlingen veel van leren en om daar de instructie op aan te passen in plaats van andersom.

 

Het grootste leren begint waar het onderwijzen ophoudt.