‘Roem fnuikt de kracht waaraan hij zich ontbrandt’

(A. Roland Holst)

 

Hij was de ideale gast voor een populair tv-programma in de vooravond, hij praatte bijkans sneller dan de presentator die er zijn handelsmerk van maakte, hij wist bijzonder veel van beeldende kunst en literatuur, straalde een enorme vitaliteit uit en hij had een missie: beroemd worden en vooral ook beroemd blijven.

 

Hij was een kunstenaar die zijn eigen marketing uitvond: hij  begon als dichter en stuurde zijn gedichten naar elke denkbaar medium. Toen een lokaal blad er twee plaatste zette hij zijn campagne voortvarend voort, tijdens een feest gaat hij alle bezoekers af om zijn overwinning onder hun neus te wrijven. Dat sommigen niet geïnteresseerd waren, het blad obscuur vonden of het hele blad niet kenden, zijn zegetocht naar de roem was begonnen. Hij belde alle kranten, radiostations, tv-programma’s waaraan hij zich aanbood als prater over kunst. Hij groeide uit tot een autoriteit, zijn toon werd steeds apodictischer, had nauwelijks oog voor gewone dingen (ophalen van zijn kinderen op school: “zie jij andere schrijvers op het schoolplein?”), wilde alleen omgaan met mensen die iets voor hem konden betekenen, alles voor zijn roeping.

 

Succesvol was hij. Zijn eerste roman De houdgreep kreeg het stempel ‘het meestbelovende debuut’. Zijn loopbaan ging crescendo: hij schreef romans, gedichten, essays (NRC noemde hem een van de best schrijvende essayisten), columns in de Volkskrant en NRC, gastschrijver bij universiteiten, gastcurator, veel geziene gast in DWDD waar hij als geboren docent, het klassieke type dat vooral zelf aan het woord is en als jet het niet snapt nog een keer omstandig uitlegt,  indrukwekkende verhalen hield over beeldende kunst, de Pierre Janssen van de eenentwintigste eeuw. En niet te vergeten als auteur met indrukwekkende verkoopcijfers.

Beelden van de zelfdoder

Zijn zelfdoding schokte mij. Hoe was dat nu mogelijk dat iemand die zo succesvol was, een kunstpaus die door zijn indrukwekkende eruditie en bevlogenheid iemand was geworden aan wiens kennis de lezers en luisteraars zich wilden laven, dood wilde? Filosoof Patricia de Martelaere schreef dat er een klassiek beeld van de zelfdoder bestaat als een sombere eenzaat, een kniezer en een piekeraar maar dat de werkelijkheid soms heel anders is: de suïcidale persoonlijkheid is soms energiek, vitaal, prestatiegericht en niet zelden uitgesproken briljant.

 

De vraag naar ‘redenen’ vindt zijn oorsprong in het willen begrijpen en dient daarom enigszins de verlichting van de pijn van nabestaanden. Maar de waarom-vraag is vooral een misverstand; het gaat uit van het bestaan van een rationele, logische redenering die uiteindelijk tot het ultieme eindpunt leidt. Het is misschien aannemelijker te veronderstellen dat zelfdodingsneigingen eerder te maken hebben met verborgen, tegenstrijdige, onontwarbare gedachten, ingevingen in een zwart universum waar je de controle over verloren hebt.  Hij heeft meerdere keren gesproken over een soort zelfdodingsgen dat via zijn vader aan hem doorgegeven zou zijn. Zijn vader heeft in 1998 een poging tot zelfdoding gedaan, bij toeval werd hij tijdig gevonden en overleefde. In alle families veroorzaakt een poging tot zelfdoding een elektrificerende schok, het werkt als een keerpunt in het denken: de zelfdoder overschrijdt een grens en maakt daardoor het ondenkbare denkbaar.

 

Zelfdoding lijkt in eerste instantie op de allerindividueelste daad, de vele tragische geschiedenissen (toen Die Leiden des jungen Werthers verscheen werden overal in Europa zelfdodingen begaan) en locaties (de Golden Gatebrug, de berg Mihara, het Empire State Building) suggereren iets anders. Zelfdoding is aanstekelijk.

 

Zelf zei hij dat de zelfdoding van zijn vader in 1998 hem in een andere wereld schokte.  Later maakt hij een bundel van verhalen en interviews over zelfdoders. Preciezer: het is niet zozeer een boek over zelfdoding maar tégen zelfdoding. 

 

En toch. Het was een thema dat zijn leven al langer beheerste. In zijn eerste jaren op de middelbare school begint hij met het maken van zelfgemaakte krantjes (Hitshot! en de Zwagergids) en wordt hij al snel redacteur van de schoolkrant Kabel. In het vakantienummer van de jaargang 1976/1977, hij is dan pas dertien, schrijft hij het stukje Onbegrip. Het is het onbegrip van een vader die zich vertwijfeld afvraagt waarom zijn vijftienjarige zoon zich opgehangen heeft in de douchecel.

 

Ben ik wel goed genoeg?

Zelfdoding blijft een mysterie. De journalist Andrew Solomon die een studie wijdde aan dit onderwerp steunt de visie van De Martelaere, het is de ambitieuze perfectionist die ontevreden is over zijn uiteindelijke prestaties en gekweld wordt door de onvermijdelijke onvolkomenheid.

 

Al jarenlang had hij geen roman gepubliceerd. Hij was wel de man die de ambitie had om het boek te schrijven dat alle andere boeken overbodig zou maken, dat alle andere schrijvers zou wegvagen.

Zelf zei hij dat hij ideeën in overvloed had, daar was iedereen ook volstrekt van overtuigd, maar dat hij het lastig vond om de discipline op te brengen om weken, maanden en jaren aan een en hetzelfde boek te werken. Was het de discipline? Was het niet die martelende gedachte: ben ik wel goed genoeg? Hij voelde de ogen van zijn critici over zijn schouders meekijken. Er waren weliswaar loftuitingen, het begin was veelbelovend maar daarna vergruisde het beeld van De Grote Romanschrijver. De Groene Amsterdammer had zich zelfs afgevraagd of het überhaupt wel literatuur was, was met dit boek (Gimmick!) niet de Veronica-sound de Nederlandse literatuur binnengemarcheerd? En was er ook niet die opmerking van een gereputeerde recensent over ‘het vacuüm van Zwagerman’? Voor hem moet het een onverdraaglijke krenking zijn geweest.

 

Dat hij een begaafde essayist was woog daar niet tegenop. Voor een kunstenaar gaat het eerst en vooral om het scheppen van een oorspronkelijk werk  en niet om te putten uit de gedachten van anderen, hoe origineel de invalshoek, hoe goed geschreven en hoe erudiet ook. Opstellen komen in de kunstenaarshemel uiteindelijk op de tweede rang.

 

Het definitieve oordeel heeft rijping nodig. Zijn ultieme bijdrage aan de kunst waren misschien niet die bijna oneindige lijst van praatjes, stukjes en optredens, niet zijn romans en misschien zelfs niet zijn essays. Is hij niet eerst en vooral dichter?

 

Lief

Mijn lief, wees alsjeblieft

Heel lief voor mij, nu God

Mij denkelijk heeft uitgewist.

Mijn lief, blijf alsjeblieft

Heel dicht bij mij. Misschien

Word ik door God gemist.

 

Mijn lief, vertrouw ook

Nu op mij. Ik ben niet weg,

God ademt mij. Mijn lief,

Wees alsjeblieft heel lief,

Voor mij. Misschien heeft God

Zich in mijn dood vergist.

 

Voor alles bang

Hij kende zelf depressieve stemmingen, hij worstelde met zijn reumatische klachten  maar zijn onwrikbare standpunt was niet te berusten in uitzichtloze, martelende gedachten, je moet het ten allen tijde proberen te voorkomen, het is een no-goarea.

 

De depressie was bij hem de achterkant van zijn brille. Zijn behoefte aan roem had hem opgepompt tot een superego. Zijn ego werd een onverzadigbare tweede ik dat een nietsontziend hongerig monster werd. Hij begon met het gebruiken van de media wat leidde tot een monomaan in de weer zijn met meningen, optredens en stukken in de krant. De verslaving aan de aandacht keerde zich tegen hem, de media gebruikten hem en hij was niet in staat om nee te zeggen. Bang om zijn publiek kwijt te raken, bang voor een ingebeelde ondergang die zich zou voltrekken voor ieders ogen.

Misschien past de gedachte aan zelfdoding in deze gedachtestroom. Zijn twijfel over het gebrek aan urgentie voor het schrijven van romans, het onvermogen om te genieten van zijn werkelijke talent of de geprojecteerde angst voor een naderende neergang als kunstenaar. Was er wellicht de dramatische gedachte dat een tragisch einde verkieslijker is dan een schaamtevolle neergang? Hij die zo indringend en overtuigend kon praten over het zwart dat licht geeft zag zelf geen licht meer. Hij zocht het tevergeefs. Uit angst of schaamte voor wat hij doormaakte in de diepe krochten van zijn ziel, bewaarde hij zijn doodswens als een loodzwaar geheim. Voor alles bang.

 

Lasciate Mi Morire

Verlangen hoort bij het leven, ook het verlangen naar de dood. Op de begrafenis speelt Yuri Honing zijn versie van Monteverdi’s Lasciate Mi Morire.

 

De piano zet langzaam en dreigend in, de saxofoon komt er heel langzaam bij: eerst zacht dan treurend en klagelijk. Het is muziek die je hart beroert. Uiteindelijk sterft het geluid van de sax uit. De stilte die volgt is loodzwaar.

 

Laat me sterven / laat me sterven / wat denk je dat mij nog kan troosten / in zo’n hard lot / in zulk hard lijden?/ laat me sterven.