First Dates (deel II)

Op zoek naar identiteit

Ongetemde vragen

Hij doet mee aan First Dates. Hij vraagt zich af hoe je je moet voorbereiden, wat voor vragen ga je stellen? Het begin lijkt hem geen probleem, in vorige afleveringen vind je de meest populaire openingen die je ook zelf had kunnen bedenken: ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Ben je zenuwachtig?’ ‘Hoe vaak date je?’ Maar volgens de adviseur uit deel I, psycholoog Richard Aron, is het verstandig om snel door te gaan met ongetemde vragen, vragen waarop de antwoorden ongewis zijn, ook voor de beantwoorder. (1)

 

‘Vertel je levensverhaal in een paar minuten’, lijkt geen verkeerde opening voor het eerste diner. Maar hoe betrouwbaar is dat verhaal? Wat vertel je, wat laat je weg? In een eerste gesprek laat je niet meteen het achterste van je tong zien.

 

Afgezien daarvan, dat geheugen is niet heel erg betrouwbaar. De zintuigen nemen van alles waar en geven dat trouwhartig door aan de hersenen, maar die gaan er vervolgens mee aan de slag, ze filteren de waarnemingen, voegen er betekenissen aan toe en vergelijken ze met eerdere observaties. De interpretatie en selectie van de hersenen maakt het geheugen per definitie subjectief en slordig. (2)

 

Bij het ophalen van verhalen uit het verleden worden waarnemingen uit alle hoeken en gaten van het brein verzameld en in elkaar gezet als een herinnering. Het geheel aan herinneringen is geen fotoalbum maar een assemblagefabriekje dat herinneringen in de loop der tijd telkens iets anders in elkaar sleutelt: je biografie is tijdgebonden. (3)

 

En als daar ook nog eens wat tijd over heen gaat dan lijkt het geheugen op een groot boek dat op een onverwacht moment kan dichtslaan en we niet meer weten bij welke passage we gebleven waren. (4)

Wie ben je?

Authenticiteit is in de mode, politici mogen zich graag afficheren als ‘een authentiek leider’. Maar wat houdt het in?  In een jeugdherinnering beschrijft filosoof Coen Simon de eigenaardigheden die zijn vader authentiek maken. (5) Zo is hij in staat op elk moment van de dag in alle houdingen dutjes te doen, is behept met een enorme bemoeizucht en toont een enorme hardheid jegens dieren.

 

Na zijn middelbare schoolopleiding maakt Simon met het hele gezin een reis naar Indonesië, het land van herkomst van zijn vader. En daar ziet hij tot zijn verbazing dat vrijwel alle mannen zich gedragen als zijn vader. Het particuliere werd in een klap algemeen. Het betekende echter niet dat hij zijn vader minder authentiek vond, zijn aandacht werd hierdoor juist getrokken naar allerlei nuances, hij ging nauwkeuriger te kijken, zijn zicht op zijn karakter werd juist scherper.

 

Simon Leyland krijgt wanneer hij begin zestig is zijn doodvonnis van zijn arts. (6) Hersentumor. Het brengt hem tot reflectie.

 

Ben ik echt geweest in de manier waarop ik geleefd heb? Echt, veramente autentico. Het is niet het gevoel dat ik de anderen en mezelf iets zou hebben wijsgemaakt, maar eerder de onzekere gewaarwording dat ik misschien mezelf ben misgelopen, dat ik naast mezelf heb geleefd’.

 

Authenticiteit is een mooi woord maar authentiek zijn is een verwarrende en veeleisende opdracht, mensen zijn constant in ontwikkeling.

 

Dat van sommige BN’ers nog wel eens gezegd wordt dat zij ‘zichzelf’ zijn gebleven, is een merkwaardig compliment. Juist het omgekeerde, dat je in de loop der tijd in contact met andere mensen en omstandigheden niet zou veranderen, dat zou pas echt verontrustend zijn.

 

En als iemand een keer in het openbaar uit zijn ‘rol’ valt is de uitvlucht: ‘ik was even niet mezelf’. Maar moet je die conclusie eigenlijk niet omdraaien? Was je juist toen niet jezelf, authenticiteit is toch geen keuzemenu? Is authenticiteit wellicht eerder authentiek lijken dan authentiek zijn? Het verwijst misschien meer naar een ideaal dan naar een oertoestand. (7)

Wie ben je echt 

De vraag ‘wie ben je echt?’ zou afkomstig kunnen zijn van Plato. Hij is de man van het wezensdenken, het idee dat er een werkelijkheid is die onafhankelijk van onze waarneming bestaat. (8)

 

Aan de basis ligt de aanname dat er een essentie is die verborgen, stabiel, en objectief bestaat en na de nodige inspanningen ook inzichtelijk wordt. Als je maar genoeg beitelt, de verflagen er een voor een weghaalt dan zou je terecht komen bij de essentie van de persoon. Plato steunt hierbij op de gedachte dat er een zelfstandige kern in ons huist die ons ‘zelf’ is, het wezen is als een schat die alleen opgedolven hoeft te worden.

 

Wellicht wordt deze gedachte gevoed door de traagheid van de veranderingen. Zoals je aan water ook niet meteen ziet dat het eb wordt.

 

Dit brengt onze intuïtie op het (foutieve) idee dat we door de tijd heen gelijk blijven. Vanwege die illusie accepteren we de theorie die het ‘zelf’ als het echte, blijvende, onveranderlijke in ons presenteert. (9)

 

Alsof dat zo leuk is. Als je jezelf altijd moet presenteren onder dezelfde noemer, zou je nooit kunnen veranderen, je zou de gevangene worden van een identiteit die je kreeg/koos/had in een bepaalde levensfase. Het vastgepind worden op een identiteit maakt eenzaam. (10)

Het verlangen naar een echt eigen identiteit

In Dondersteen schrijft Johan de Boose over zijn vader: ‘Ik keek naar hem. Ik kijk nu in mijn herinnering naar hem. Ik zie niet een persoon, maar een menigte. […] Hij was een geleerd meervoud’. (11)

 

Is niet de kern dat ieder mens verschillende rollen speelt en dat het gaat  om het geheel van alle verschillende rollen die je speelt. De combinatie van verschillende rollen is wellicht de beste benadering van het begrip authentieke persoonlijkheid.

 

Als je aan mensen vraagt waar ze bijhoren, hoor je weinigen zeggen dat ze tot de mensheid horen; ze horen bij de een of andere groep. Het lijkt erop dat identiteit niet iets is maar wat je wordt, met je lidmaatschap van allerlei groepen krijg je het stempel van een groepsidentiteit in de vorm van de groepsnormen en-waarden en vice versa natuurlijk, als je bij de groep wil horen ben je graag bereid om je te gedragen naar de groepsregels.

 

Zo is te begrijpen dat een doordeweekse brave huisvader op zondagmiddag als onderdeel van een groep voetbalsupporters, allerlei racistische of antisemitische kreten slaakt. (12)  

 

Identiteit is relationeel. De omgeving definieert jou. Wanneer je als inwoner van de randstad reist naar het platteland ben je een stedeling, in de VS ben je een ‘echte’ Europeaan, in Suriname erfgenaam van de kolonisator. Iemand met Turkse wortels wordt al gauw ‘die Turk’, en soms doe je daar zelf aan mee in een Amsterdams potje voetbal: ‘de Turken tegen de Marokkanen’. Niet onbelangrijk: het maakt verschil of je zelf het etiket plakt of het ongewenst opgedrukt krijgt. (13)

 

Identiteit roept per definitie ook een tegenpool op, het identieke roept het niet-identieke op. In zo’n situatie kan dat ook makkelijk leiden tot een onwrikbare identiteit. En misschien niet omdat ze die hebben, Arnon Grunberg stelt dat dat verlangen naar een ‘echt eigen identiteit’ juist veel meer ingegeven wordt door het knagende vermoeden dat ze juist geen idee hebben wie ze zijn.

 

Een zogenaamde onwrikbare eigen identiteit, de weigering of het onvermogen om er speels mee om te gaan leidt ertoe de ander als een volstrekt vreemde en als een absolute vijand te zien. (14)

Moeilijk te geloven dat ik besta

Robert Musil moet weinig hebben van het klassieke begrip identiteit, hij gelooft niet in een ‘ik’ met ondubbelzinnige eigenschappen. In zijn Mann ohne Eigenschaften schrijft hij dat ieder mens wel tien eigenschappen heeft (behorend bij bijvoorbeeld je beroep, land, geslacht en persoonlijkheid) maar dat die eigenschappen niet zijn identiteit vormen. 

 

Musil draait de stelling juist om: die kwaliteiten/eigenschappen werken nu juist vervreemdend, ze hollen de mens uit: ‘Hij verenigt deze in zich, maar ze lossen hem op en eigenlijk is hij niets anders dan een kleine, door die vele straaltjes uitgespoelde poel’. De verschillende eigenschappen ontnemen de mens juist zijn authenticiteit.

 

Musil veronderstelt nog een tiende eigenschap: de lege ruimte.  Daar zetelt de persoonlijkheid, dat is de thuisbasis van de ziel. De ziel is bij hem de krachtbron. En die krachtbron wil hij gebruiken door essayistisch te leven door de thema’s van het leven van allerlei kanten te beschouwen zonder tot concrete antwoorden te kunnen komen.

 

Hij gruwt dan ook van mensen die alleen geloven in de werkelijkheid, zijn stelling is dat als er werkelijkszin bestaat er ook zin voor mogelijkheden bestaat: het denken over de verschillende mogelijkheden. (15)

 

Nog radicaler is de conclusie van filosoof Martijn Meijer die uitgaande van een Zen-tekst uit de 13e eeuw ‘Zichzelf bestuderen is zichzelf vergeten’ start met een proces van persoonlijke ontmanteling waarbij hij vrijwel niets van hemzelf overhoudt. (16) Zijn boektitel vat zijn betoog samen: ‘Moeilijk te geloven dat ik echt besta’.

 

Zijn redenering is dat ‘ik’, behalve als een soort horizon of referentiepunt, niet bestaat. Je geeft, in zijn visie, vorm aan je identiteit door verhalen te vertellen over wat je hebt meegemaakt. En dus verandert je identiteit bij voortduring door het permanente proces van zelfreflectie waardoor de verhalen die voor jou belangrijk zijn, veranderen. Het ‘zelf', je identiteit is het product van die verhalen, niet de bron. 

Aan tafel!      

Het zijn wellicht interessante gedachten maar heb ik nu mijn vriend daadwerkelijk geholpen voor een glanzend optreden bij First Dates? Misschien kan hij kond doen van zijn speurwerk naar zijn identiteit(en)? Misschien kan het vertellen van de verhalen die op dit moment belangrijk voor hem zijn, een mooi gesprek op leveren? En wie weet waar dat toe kan leiden…   

###

Noten

1. De Amerikaanse psycholoog Richard Aron was nieuwsgierig wat er gebeurt als wildvreemden elkaar drie kwartier zo’n kleine veertig voorgeschreven ongetemde vragen stellen, bijvoorbeeld: ‘Waarvoor wil je vechten?’, ‘Wat is je grootste mislukking?’, ‘Met welke van je slechte eigenschappen worstel je het meest?’ De uitkomst was helder. Na afloop beoordeelden ze het contact met hun gesprekspartner als even intiem zo niet intiemer dan met de mensen die ze al jarenlang kennen.

2. Juist geheugenvirtuozen lopen meer risico op nepherinneringen omdat ze meer details weten op te graven; meer details betekent ook meer kans op fouten. Zie: Merkelbach, H. (2020). Goede verhalen zijn zelden waar. Waarom we ze toch vaak geloven (en doorvertellen). Amsterdam: Prometheus.

3. Harald Merkelbach wijst op de invloed van Hollywood; met de stijlfiguur van de flashback wordt gesuggereerd dat er kant-en-klare foto’s komen bovendrijven als mensen herinneringen ophalen.

4. De uitspraak is van W.F. Hermans.

5. Simon, C. (2014). Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden. Amsterdam: Nieuw Amsterdam.

6. Hoofdpersoon in de roman van Mercier, P. (2019). Het gewicht van de woorden. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

7. Rasch, M. (2012). De vijf paradoxen van authenticiteit.

8. Wouters, P. (2010). Denkgereedschap 2.0. Een filosofische onderhoudsbeurt. Rotterdam: Lemniscaat.

9. Slob, M. (2017). ‘Je realiseren dat je bestaat’. In: Hersenbeest. Rotterdam: Lemniscaat.

10. Marjan Slob in een interview met Trouw (2 oktober 2020).

11. Boose, de J. (2020). Dondersteen. Amsterdam: De Bezige Bij

12. ‘Hartstochtelijk schreeuwde ik’. Abdelkader Benali in Trouw van 26 november 2019.

13. Zie het interview met antropoloog Sinan Çankaya in Trouw van 6 juni 2020.

14. Arnon Grunberg, 4 mei-lezing 2020.

15. Musil, R. (1932, 2017). De man zonder eigenschappen. Amsterdam: Meulenhoff.

16. Meijer, M. (2014). Moeilijk te geloven dat ik echt besta. Over het verlangen naar zelfkennis. Amsterdam: Ambo.