Bidden

 

Concentratiekampen zijn in Nederland nog altijd onverminderd populair. Onlangs kwam er een in het nieuws omdat bij een brand alle bijna vijfduizend bewoners omkwamen. De dood maakte een einde aan hun ellendige bestaan waarin ze de hele dag, zonder daglicht, in de stank stonden met de permanente angst voor de kampeigenaar.

 

Iemand schreef dat de bewoners deugden, ze waren te vergelijken met kleuters: best wel intelligent, toegerust met een goed geheugen en met gevoelens van vreugde en verdriet.* Maar zei ze er direct bij, het benadrukken van hun kwaliteiten is een verkeerde redenering; alsof opsluiting alleen moreel verwerpelijk zou zijn als het ‘goede’ wezens zouden zijn. Wordt de kwaliteit van je gedrag niet juist bepaald hoe je omgaat met medereizigers in onze tijd en ruimte die je wellicht minder sympathiek vindt?

 

In de bovengenoemde kampen gaat het om varkens. Als zij zouden kunnen bidden schreef Koos van Zomeren ooit, zouden ze om de uitroeiing van de mens bidden.

 

Wij zijn burgers van twee werelden. We leven in een fysieke wereld die onvrij is omdat we gebonden zijn aan natuurwetten. Tegelijkertijd zijn we ook bewoners van de wereld van de geest, we hebben de mogelijkheid te reflecteren en onze verbeeldingskracht te gebruiken. Door afstand te nemen van onze directe behoeftes, lusten en driften scheppen we de vrijheid  om na te denken over goed en kwaad. Ernaar handelen vergt ook moed: je uitspreken over onacceptabel gedrag, je afkeren van een verdienmodel dat ten koste gaat van levende wezens, om te durven op te staan tegen een dominante groepsideologie.

 

Hopelijk hebben de mensen die de kampeigenaren vergunningen verstrekken, voldoende moed om als bewoners van de wereld van de geest het morele kompas te herijken.

 

Voordat God zich dat zinnetje van Van Zomeren herinnert.

 

 

* Eva Meijer in Requiem, Trouw van 8 juni 2021.