Waarom Kevin eerder doodgaat 

hoe een beleid van gelijke kansen leidt tot ongelijkheid

 

Het gaat slecht (denken we)

In 38 landen werden bijna dertigduizend mensen ondervraagd over hun beeld van elementen uit de werkelijkheid zoals moordcijfers, terrorisme, criminele buitenlanders en dergelijke. Wat blijkt? Zij (wij dus) schatten dingen te vaak te negatief in. Ruim 70% denkt dat het aantal moorden sinds 2000 is gestegen (het daalde met bijna 50%), dat ruim 50% van alle gedetineerden een migratieachtergrond heeft (het is bijna 20%), dat 12% van alle tieners zwanger wordt (in werkelijkheid 0,4%). Kortom, percepties zijn geen werkelijkheid[1].

 

De misvattingen zijn het grootst bij kwesties die vaak in de media komen. Slecht nieuws zoals moord, doodslag, terrorisme komt in de media en negatieve informatie waar mensen bezorgd over zijn wordt goed opgeslagen in de hersenen. Het gevolg is dat de waarneming veel zwarter is dan de werkelijkheid.

 

Dit lijkt ook aan de hand met de stand van zaken in Nederland. Wanneer je afgaat op bepaalde politici en sommige media zou je in de waan komen dat het bergafwaarts gaat met ons land, dat de Nederlander steeds ontevredener wordt, dat hij cynischer wordt over de politiek en dat er in het denken over allerlei kwesties een ruk naar rechts te zien is.

 

Een aards paradijs

En toch is dat niet waar. Het Sociaal Cultureel Planbureau heeft dit in De sociale staat van Nederland 2017 onderzocht: objectief gaat het beter (hogere levensduur, meer gezondheid, meer vrije tijd, minder criminaliteit) en subjectief ook. De Nederlander geeft zijn leven een rapport met alleen maar achten! Het leven op dit moment krijgt een 8,4, geluk en tevredenheid 8-, 85% noemt zich welvarend en is gelukkig.

 

En hoe zit dat met die ontevredenheid? Ruim 20% van de Nederlanders vindt dat het de verkeerde kant op gaat. Dat zit ‘m in de 15% van de bevolking- 2,5 miljoen Nederlanders- die zich ‘niet gehoord’ voelen. Het vreemde van de zaak is dat het goed gaat met Nederland, dat de meeste mensen welvarend zijn en gelukkig zijn maar dat er tegelijkertijd een kloof is ontstaan in Nederland. Een kloof tussen de 85% waar het heel goed mee gaat en de 15% waar het beroerd mee gaat. Een kloof die niet kleiner maar juist groter wordt.

 

Er waart een spook door Nederland.

Maar welk spook?

“Ik wil een Nederland waar je achternaam niet je kansen bepaalt. Nog te vaak worden belangrijke functies in Nederland verdeeld onder mensen die toevallig in de juiste familie zijn geboren”[2]. Je verwacht deze uitspraak van een politicus uit de 19e eeuw maar niets is minder waar, de uitspraak komt van Lilian Marijnissen, gedaan bij haar aantreden in 2017 als fractiechef van de SP.

 

De SP heeft als Socialitiese Partij haar wortels in de jaren zeventig van de vorige eeuw; een partij met een hunkering naar de strijd van gestaalde kaders die dol waren op het marxisme-leninisme. Ook toen al een anachronisme, het conservatisme heeft de partij nooit echt verlaten. Met de bovengenoemde uitspraak strijdt de socialistische voorvrouw tegen een oud en achterhaald idee als zou er een geprivilegieerde elite zijn die door geboorte vooraanstaande posities verwerft. Dat geldt natuurlijk nog wel voor sommige leden van het Koninklijk Huis. Maar daar is de SP niet (meer) tegen. Het opportunisme is nooit ver weg.

 

De SP ziet spoken. Dat is jammer want deze ideologische oogkleppen verhinderen het zicht op de werkelijkheid: er waart namelijk wel degelijk een spook door Nederland. Het spook van de ongelijkheid tussen hoog- en laagopgeleiden. In de afgelopen decennia is deze nieuwe ongelijkheid ontstaan en versterkt.

 

Niet komaf maar kom op

De Nederlandse politiek houdt van onderwijs. Voor de verschillende emancipatiebewegingen in de 20e eeuw was onderwijs voor hun talenten een belangrijk strijdpunt. Het gold voor de sociaal democraten (ijverend voor verheffing van de werkende klasse) maar net zo goed voor de politici van de diverse christelijke partijen (werkend aan de emancipatie van de kleine luyden). Dat heeft ertoe geleid dat ongeacht de kleur van de Nederlandse kabinetten er veel aandacht en geld is uitgegaan naar het onderwijs. En met bijzonder veel succes.

 

Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw zijn arbeiderskinderen op grote schaal gaan studeren[3]. En met een vertraging van enkele decennia zijn ook vrouwen op grote schaal gaan studeren; in bepaalde, en niet alleen de zogenoemde typisch vrouwelijke opleidingen, studierichtingen zijn vrouwen in de meerderheid. In combinatie met het gegeven dat veel meisjes goed en vaardig studeren op de middelbare school, leidt dat ertoe dat vrouwen het goed doen in het hoger onderwijs. Dit alles heeft geresulteerd in een geweldige groei van het aantal hoger[4] opgeleiden: van 1% aan het begin van de jaren zestig tot zo’n 30% heden ten dage.

 

Een beetje politicus heeft ambitie (‘Mijn punt op de horizon’). En dus zijn er politici die zeggen dat ze het percentage hoogopgeleiden graag naar 40% willen opvijzelen. De Europese Unie heeft dat percentage ooit als ideaal verwoord. Voor een opleiding als Havo en Vwo is echter een IQ van 110 en 115 vereist. En aangezien de verdeling van IQ over de bevolking het beeld heeft van een normale verdeling[5], is dit streven illusoir. Tenzij je natuurlijk de normen verlaagt. Of er dan sprake is van een hoge opleiding is de vraag.

 

Gelijke kansen: de onstuitbare opmars van de meritocratie

Het beleid van gelijke kansen is bijzonder succesvol geweest. Wie kan leren en wie bereid is om daarin te investeren kan een hoge opleiding met succes afronden. Nederland is een succesvolle meritocratie geworden: het draait niet om wat je ouders zijn, of je rijk of arm bent, centraal staat jouw merite, jouw verdienste. Kijk maar eens naar de reclames van middelbare scholen, zij focussen op de talenten van hun potentiële leerlingen en bezweren om die talenten zo goed mogelijk uit te baten ('Haal eruit wat erin zit!').

 

Je kunt je natuurlijk wel afvragen wat jouw verdienste is om met een goed stel hersens geboren te worden, het is vooral te danken aan de genen, maar alla.

 

Een meritocratie past goed bij het onderwijs, net zoals in het wetenschappelijk onderzoek en de topsport. De besten behalen de hoogste diploma’s, de beste hardlopers komen het eerst over de streep. Appeltje eitje. Het verworven diploma wordt beschouwd als een gevolg van de eigen verdienste, het individu is verantwoordelijk voor zijn opleidingsniveau. De orde van diploma’s wordt beschouwd als een legitieme meritocratische orde. De kern van het hedendaagse systeem: beloning op basis van het diploma.

 

De school is een instelling die vorming koppelt aan een haast continue evaluatie van individuele prestaties. Het diploma is een bewijs van voorbije inzet en prestaties en als een voorspelling van toekomstige handelingsbekwaamheid. Leerlingen die goed presteren, zich kunnen disciplineren en zich flexibel kunnen aanpassen aan wisselende omstandigheden die hebben leren leren, die blijven functioneren onder een behoorlijke dosis stress worden hoger genoteerd en hebben grotere kans door te stromen naar de hogere opleidingen en deze succesrijk te doorlopen. De criteria van succes die gelden in het onderwijs lijken op de criteria die werkgevers hanteren. Dat  verklaart waarom de kansen op werk en loopbaanperspectieven sterk samenhangen met het opleidingsniveau.

 

Elk kind is gelijk, maar net niet helemaal

Er zijn ook wel enkele kanttekeningen te maken bij de uitvoering van het beleid van gelijke kansen. Hier en daar piept en kraakt het systeem. Er is de kritiek (ook internationaal[6]) op de vroege selectie van leerlingen op 12-jarige leeftijd, de onderschatting  van kinderen met een migratieachtergrond en de beslissingsbevoegdheid van de juf in groep 8. Toch zijn dit voetnoten in het verhaal dat wanneer je intelligent bent en deze intelligentie wilt inzetten dat je succesvol mee kan draaien in de diplomademocratie.

 

The winner takes all

Was het niet bij Plato dat de bestuurders perse arm moesten blijven?  De makke van de meritocratie zoals we die hier kennen is dat hij werkt volgens het principe the winner takes all. De hoger opgeleiden hebben niet alleen de hoogste diploma’s, ze hebben ook de beter betaalde banen, ze zijn veel minder vaak werkloos, ze hebben minder last van chronische ziektes, minder kans op een psychische aandoening, ze leven zeven jaar langer en hebben een levensverwachting in een goed ervaren gezondheid die bijna twintig jaar langer is!

 

Het gegeven dat op hogescholen en universiteiten bijna net zoveel vrouwen als mannen studeren heeft geleid tot een onstuitbare opmars van homogamie: mensen trouwen een partner met een gelijk opleidingsniveau. Het format van de aloude doktersroman, verpleegster wordt verliefd op de dokter verdampt bijna volledig. En datzelfde geldt voor de piloot met de stewardess of de directeur met de secretaresse. En omdat intelligentie een sterke erfelijke component heeft, betekent deze opmars van homogamie dat hoogopgeleiden kinderen krijgen die het goed doen op school en als ze het niet heel goed doen krijgen ze een behoorlijk steuntje in de rug.

 

Daar komt ook bij dat hoger opgeleiden ook de macht hebben. Zij zijn oververtegenwoordigd in de politieke arena’s (wat heet: het kost de grootste moeite om een vertegenwoordiger met een lage opleiding te vinden in politieke gremia als de Tweede en Eerste Kamer, Provinciale Staten). En zij domineren ook de politieke agenda´s: welke onderwerpen vinden we belangrijk, waar zetten we ons geld voor in.

 

Voor een meritocratie is dit niet vreemd, maar voor een democratie gaat het om een gemeenschap van gelijken. Voor de legitimiteit van de democratie is het geen fraai beeld wanneer een groep sterk domineert[7].

 

Kortom, mensen met een hoge opleiding hebben vaker werk, verdienen meer, leven langer en gezonder, hebben kinderen die het op school beter doen. En hebben (veel) meer politieke macht. Er is geen andere conclusie: intelligentie en de manier waarop je je intelligentie gebruikt bepalen je schoolloopbaan en daarmee je sociale positie in Nederland.

 

Een schaduwkant van de meritocratie: de druk wordt groter

Onze meritocratie is gebaseerd op één soort verdienste: schoolsucces op de hoogste onderwijsniveau. Het gaat om het zo goed mogelijk cognitief presteren. Met het advies van de basisschool en de Cito-toets als belangrijkste zeef.

 

De competitiedrang en het permanent meten van prestaties begint al in de eerste groepen van de basisschool. Het schooladvies geeft een relatief prestatieniveau weer: het gemiddelde is goed voor een vmbo-advies, de bovenste 20% ontvangt een vwo-advies. Dat betekent dat er een enorme prestatiedruk voor de leerling is om beter te presteren dan zijn medeleerling. En trouwens ook voor de school die immers het liefst alleen de beste leerlingen selecteert (kost minder energie, levert betere resultaten en is goed voor inspectie en imago). Een school met uitnemende statistieken probeert zo snel mogelijk af te komen van leerlingen die meer begeleiding nodig hebben.  De prestatiedruk is enorm toegenomen aangezien nu ongeveer de helft van de jongeren hoog opgeleid is. Dit werkt diploma-inflatie sterk in de hand: mbo’ers die geen stageplaats kunnen vinden omdat werkgevers de voorkeur geven aan hbo’ers.

 

Het is daarom niet zo gek dat ouders een zo hoog mogelijk advies voor hun kind willen. Voor veel (hoogopgeleide) ouders is havo de ondergrens. Ze willen graag een gymnasium- of vwo-advies en desnoods havo. Als het maar geen vmbo-advies wordt. Ouders zien het vmbo niet alleen als laagste onderwijsniveau maar ook sociaal (veel kinderen met een migratieachtergrond, slechte sfeer met veel ergernissen, scheld- en vechtpartijen) en cultureel (ordinaire kleding, aanbidding van de populaire cultuur, dealen)[8]. En ouders zien dat docenten druk zijn met volle klassen, zuchten onder regeldruk en ook de handen vol hebben om passend onderwijs te organiseren voor klassen die ook leerlingen herbergen die vroeger naar het speciaal onderwijs gingen. Wanneer dan een externe deskundige tegen een ouderpaar zegt dat hun kind met de juiste begeleiding naar het vwo kan en zo het vmbo kan ontlopen, dan is de keuze voor bijles en/of coaching gauw gemaakt[9].

 

Is het gek dat leerlingen en ouders er een tandje bijzetten?  De cijfers spreken boekdelen: in 20 jaar tijd zijn de uitgaven voor bijles ruim zeven keer zo hoog (2015 186 miljoen versus 26 miljoen in 1995). Een ware opmars van het schaduwonderwijs[10].

 

Ouders leggen soms ook een flinke druk op docenten ten tijde van de advisering naar het Voortgezet Onderwijs. Het advies van de docent van de basisschool is leidend, de Citoscore speelt slechts een bijrol. Bij de invoering van deze verhouding in 2015 (hiervoor was de Citoscore leidend) werd luid en duidelijk gewaarschuwd dat hierdoor de druk op docenten nog groter zou worden. De staatssecretaris reageerde luchtig dat de docenten professioneel genoeg zijn om deze druk te kunnen hanteren. Behoort bij de professionaliteit ook het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders?

 

Uit een onderzoek van CNV/EénVandaag uit februari/maart 2018 komt naar voren  dat 75% van de docenten onder druk wordt gezet, in 50% is er sprake van grensoverschrijdend gedrag. 20% procent van de docenten zegt onder deze druk het advies aangepast te hebben.

 

De druk op de docent van de school heeft ook effect. Uit de cijfers lijkt dat kinderen van hoger opgeleiden bij een gelijk Cito-advies een hoger advies krijgen, kinderen van hoger opgeleiden met een havo-score kregen in 66% van de gevallen een vwo-advies, bij lager opgeleiden was dat slechts 26% het geval[11].

 

Tijdens de opleiding krijgen kinderen van hoger opgeleiden een flink steuntje in de rug. Deze groep ouders bezit veel meer kapitaal (sociaal, cultureel en niet in het minst economisch) om hun kinderen bij te staan. Kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen vaak een hoger advies en dankzij het kapitaal van de ouders realiseren deze kinderen ook vaak het hogere niveau.    

 

Leerlingen met hoger opgeleide ouders gaan- met hetzelfde prestatieniveau-  vaker naar Havo of Vwo dan kinderen met laag opgeleide ouders. Dit is vooral zichtbaar in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs. Leerlingen met laag opgeleide ouders stromen in leerjaar 1 en 2 vaker af naar een lagere opleidingsniveau.  In het derde leerjaar gaan er tweemaal zoveel leerlingen met hoog opgeleide ouders naar de havo of vwo dan leerlingen met laag opgeleide ouders. Bij de overgang van VO naar HO zie je het effect dat kinderen van hoger opgeleiden kiezen voor het hoogste opleidingsniveau, kinderen met laag opgeleide ouders kiezen voorzichtiger: MBO in plaats van HBO of HBO in plaats van WO. Uiteindelijk zijn er, uitgaande van leerlingen van gelijk niveau, dus aanzienlijke verschillen in opleidingsniveau die te relateren zijn aan het opleidingsniveau van ouders.

 

En  ook: de psychologie van de schuld

Als het verworven diploma wordt beschouwd als het resultaat van de eigen merite, als het individu verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn opleidingsniveau, als de orde van diploma’s wordt beschouwd als een meritocratische orde dan is ook het omgekeerde waar. Hoe meer kansengelijkheid er wordt gecreëerd hoe meer een mislukte schoolloopbaan wordt beschouwd als gevolg van persoonlijk falen.

 

Het aloude ideaal lijkt zo mooi: als je als dubbeltje geboren wordt kun je met de nodige inspanningen toch een kwartje worden. Het is niet verwonderlijk dat zowel de sociaaldemocratie als de christendemocratie de grote aanjagers waren bij het realiseren van het meritocratisch ideaal. Maar gelijke kansen betekent natuurlijk niet gelijke uitkomsten. 

 

Michael Young, de man die de term meritocratie heeft gemunt,  heeft (in 1958!) in zijn satire de prestatielogica gehekeld:  Are they not bound to recognize that they have an inferior status; not as in the past because they were denied opportunity, but because they are inferior?[12] Ook minister van onderwijs Jos van Kemenade schreef destijds in zijn Contourennota dat de nadruk op de begaafdheid op opleidingsniveau een toenemende sociale ongelijkheid zou veroorzaken. De meritocratie vervangt de ene maatschappelijke ongelijkheid met de andere. Maar wel met een essentieel verschil: als je nu verliest is er geen enkel excuus, het ligt helemaal aan jou. De Amerikaanse criticus Frank[13] schrijft: ‘Voor de progressieve klasse is dit een onwrikbaar idee: als arme mensen niet meer arm willen zijn, moeten arme mensen studeren’.

 

Hoe meer kansengelijkheid hoe meer een mislukte schoolloopbaan wordt beschouwd als gevolg van persoonlijk falen. Politiek rechts dacht dat misschien altijd al maar nu ging ook politiek links er zo over denken. Omscholing, een leven lang leren: dan komt alles goed. En als het niet lukt, is het je eigen schuld. Had je maar net zo goed je best op school moeten doen als wij[14][15]

 

Wat doet dat met mensen? Aan de ene kant zijn er de winnaars die geloven dat het werkelijk hun eigen verdienste is; niet zelden leidend tot zelfoverschatting en zelfverrijking. Voor de verliezers zijn er geen excuses meer. In de standenmaatschappij lag het aan de omstandigheden, maar nu zoek je de schuld bij jezelf; het leidt tot demoralisatie van de onderklasse.

 

In de standenmaatschappij zag je dat de pech van de onderklasse weerspiegeld werd door het geluk van de bovenklasse. Bij de adel was er sterk het bewustzijn dat de maatschappelijke positie een kwestie van in het goede milieu geboren te worden. Dat betekende wel dat dat geluk ook betekende dat je schatplichtig was om anderen te helpen. Noblesse oblige was geen loze kreet[16]

 

In onze meritocratie geldt the winner takes all: een hoge opleiding geeft uitzicht op een  goede baan, een hoog salaris en ook nog eens de politieke macht. Deze waarheid heeft ook een spiegelbeeld: the loser gets nothing. Je mislukte schoolloopbaan is een kwestie van persoonlijk falen[17].

 

De politiek economische ontwikkeling helpt de lager opgeleiden niet. De Europese eenwording heeft geleid tot een harde concurrentie in combinatie met een geweldige opkomst van de marktwerking door een terugtredende overheid. Voor lager opgeleiden is de politiek van open grenzen ronduit bedreigend, dit deel van de arbeidsmarkt is gekrompen en de concurrentie van werkers uit midden Europa is toegenomen. En neem bijvoorbeeld de baan van postbode. Vroeger een normale baan waarmee je een gezin kon onderhouden, nu is dat veranderd in een wegwerpbaan die je doet om wat bij te verdienen. En kom niet met het argument dat er bijna geen post is, bij de pakketdiensten is er meer aanbod dan ooit maar ook daar zijn enkel wegwerpbanen[18].

 

En in de politiek zie je alleen gestudeerde mensen die hun eigen agenda hebben. De hoger opgeleiden hebben het voor het zeggen. De lager opgeleiden kijken wantrouwig en cynisch toe. De diplomademocratie ondermijnt de weerspiegeling van de bevolking. Is het vreemd dat de lager opgeleiden hun heil zoeken bij nationalistische partijen?[19] Diplomademocratie is een bron van populisme.

 

Aan beide kanten is het waarneembaar dat het stressniveau stijgt: bij de hoger opgeleiden om alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat hun kinderen ook hoger opgeleid te worden en bij de lager opgeleiden vertaalt het niet hebben van schoolsucces zich in persoonlijk falen, een negatief zelfbeeld en sombere gevoelens. Volgens Trudy Dehue een voedingsbodem voor de ontwikkeling van depressie tot volksziekte nummer één.

 

Scheiding der werelden

Het verschil in opleiding veroorzaakt ook verschillende leefwerelden. Er treedt een polarisatie op rond sociaal-culturele thema’s die gepaard gaat met overtuigingen over nationale identiteit en verschillen in verbondenheid met het politieke systeem[20].  Deze polarisatie mondt niet uit in een tweedeling maar in een continuüm van te onderscheiden groepen. Op de uitersten van deze as staan aan de ene kant de ‘universalisten’ en aan de andere kant de ‘particularisten[21].

 

De universalisten in enkele kernwoorden: een meer universele opvatting van rechtvaardigheid en staatsburgerschap, positief tegenover open grenzen, andere culturen en het toelaten van immigranten, hoger opgeleid, stemmen D66, GroenLinks, VVD en liefhebbers van ‘hogere’ cultuurvormen en een tamelijk ingetogen gevoel voor humor.

 

De particularisten hebben een meer lokalistische invulling van rechtvaardigheid en staatsburgerschap, zien vooral nadelen van open grenzen en immigratie, staan sceptisch tegenover de Europese eenwording, waarderen nationale en lokale gewoonten en tradities, stemmen niet of vooral SP of PVV en houden van veel en hard lachen, Nederlandse cultuur en gezelligheid.

 

Dit verschil in opvattingen is natuurlijk niet nieuw. Nieuw is dat de het onderscheid veel pregnanter is geworden door de enorme groei van het aantal hoger opgeleiden.

 

De samenhang tussen opleiding en overtuigingen is ook veel sterker geworden door het verdampen van de verzuiling. De implosie van de instituties van de verzuilde samenleving heeft ervoor gezorgd dat hoger en lager opgeleiden niet meer gezamenlijk in verzuilde organisaties zitten. Hoger en lager opgeleiden ontmoeten elkaar niet veel (meer). Uit een analyse van de netwerkcontacten  (vrienden, familie, kennissen, buurtgenoten) blijkt dat hoger opgeleiden vooral contacten zoeken met hoger opgeleiden. Zij hebben een veel groter netwerk  en hebben vooral contacten hebben met vrienden en kennissen die zij vooral via het werk kennen. Voor lager opgeleiden geldt dat hun netwerken (veel) kleiner zijn en dat zij vooral contacten hebben met buurtgenoten en familieleden.  Hun wereld is klein en gesloten. 

 

Hoger opgeleiden consumeren en participeren in complexe en uitdagende cultuurvormen, de zogenoemde high browcultuur. Zij hebben vanwege hun opleiding de competentie om culturele uitingen te doorgronden, te kunnen plaatsen in een context en te kunnen relativeren. Ook het vermogen tot reflectie speelt een rol (‘de kletsende klasse’). Lager opgeleiden zien de culturele diversiteit en complexiteit eerder als een bedreiging van de culturele orde en klampen zich vast aan een eenduidige, stabiele en dus voorspelbare cultuur.

 

Het is de schuld van het kapitaal

Dat hoger opgeleiden meer verdienen, dat ze een krant lezen, het theater bezoeken: dat is natuurlijk niet erg verrassend. Wat maakt het toch dat ze minder gezond leven en veel eerder doodgaan? Waarom zou je gezonder leven als je een hogere opleiding hebt? Is het een kwestie zeuren? Of zoals een publicist (afgestudeerd filosoof) het formuleerde: ‘al heb ik gestudeerd, ik moet, ook als ik geen zin heb, op maandagavond op mijn fiets door de regen naar het zwembad om mijn baantjes te trekken, die laag opgeleide man of vrouw moet niet zeuren maar op de fiets springen.’

 

Mensen in uiteenlopende groepen ontwikkelen gewoontes en leefstijlen, die samenhangen met ervaringen in hun milieu[22]. Deze habitus maakt de voor de sociale klasse specifieke gedragskeuzes vanzelfsprekend. (vet versus gezond eten) terwijl andere handelingen ondenkbaar zijn. De waardering van de habitus hangt af van het veld waarin het gedrag plaatsvindt. Alle velden hebben eigen regels en waarderingen: een streetwise  houding, tatoeages e.d. kunnen bevorderlijk zijn voor een criminele loopbaan maar wellicht niet een carrière in de banksector. Het denken en handelen van mensen is afhankelijk hoe zij zich in een bepaalde groep kunnen handhaven en vooruit kunnen komen.

 

Om verder te kunnen komen in de maatschappij heb je kapitaal nodig op verschillende terreinen: economisch kapitaal (opleiding, beroep, inkomen), cultureel kapitaal (taal, culturele kennis), sociaal kapitaal (netwerken) en persoonskapitaal (fysiek, mentaal en esthetisch). In de verschillende vormen van kapitaal kun je investeren om er op enig moment ook rendement uit te halen.

 

Het gaat niet alleen over de hoeveelheid kapitaal maar ook de samenstelling. Ondernemers kunnen bijvoorbeeld wel veel economisch kapitaal verwerven maar dat hoeft lang niet altijd gepaard te gaan met cultureel kapitaal. En dat geldt natuurlijk ook omgekeerd, kunstenaars kunnen over veel cultureel kapitaal beschikken wat lang niet altijd samen gaat met veel economisch kapitaal.

 

Vooral persoonskapitaal is van groot belang. Een belangrijk onderdeel van het persoonskapitaal is het mentale kapitaal; de geestelijke kracht om iets te bereiken gecombineerd met zelfvertrouwen, een positief zelfbeeld, veerkracht en de vaardigheid in coping, is van groot belang of het nu gaat om studeren, om af te vallen, om dingen vol te houden of het kunnen incasseren van tegenslag. Lager opgeleiden hebben op dit punt minder persoonskapitaal en zijn minder goed in staat om behoeftebevrediging uit te stellen, om stil te zitten als het nut niet meteen duidelijk is. Zij vertonen vaker impulsief en korte termijngedrag, planning (en het realiseren van de planning) is niet hun ding. Lager opgeleiden delen de voorkeur voor slanke lichamen maar blijk minder goed in staat te zijn om het de inspanningen op te brengen die hiervoor noodzakelijk zijn.

  

Als je lelijk bent, verdien je minder 

Ook een ander onderdeel van het persoonskapitaal is belangrijk: het esthetisch kapitaal. Dit zegt iets over het uiterlijk dat als aantrekkelijk wordt ervaren. Van mensen die als aantrekkelijk worden gezien wordt aangenomen dat zij capabeler zijn. Bij lage functies is bij de keuze van personeel uiterlijk en zelfvertrouwen belangrijker dan opleiding en werkervaring. Wellicht speelt als verklaring ook mee dat het zelfvertrouwen correleert met veel esthetisch kapitaal. Uit onderzoek blijkt dat lelijke mensen 5% tot 10% minder verdienen; een stijging van het BMI van 10% gaat gepaard met een loondaling van 2 a 3%.

 

Hoger opgeleiden hebben op verschillende gebieden meer kapitaal en investeren meer in hun kapitaal waardoor de kloof verduurzaamd wordt. Hoger opgeleiden trouwen niet alleen vooral met andere hoger opgeleiden ze gaan in het alledaagse leven ook vaker om met andere hoger opgeleiden. Bij het omgekeerde is dit effect nog sterker: lager opgeleiden hebben een kleiner sociaal netwerk dat bovendien eenzijdiger is waardoor zij voornamelijk omgaan et lager opgeleiden. Ieder zijn bubble. Door het verdwijnen van de verzuilde organisaties, en daarmee de contacten tussen hoog- en laagopgeleiden in dezelfde zuil, ontstaan er twee groepen die elkaar steeds minder ontmoeten. 

 

En zo kun je een statistische uitspraak doen over het verloop van het leven op basis van het hoogst behaalde diploma[23]. Heb je een academisch diploma voltooid dan heten je kinderen Floris,  Fleur of Daan, zij zitten op een basisschool met een speciale signatuur en gaan waarschijnlijk naar het gymnasium, technasium of in ieder geval naar een havo/atheneum-school. Je woont in een koophuis, kijkt naar de NPO, je leest de Volkskrant of de NRC, je stemt GL, D66 of VVD en je gaat op vakantie naar Frankrijk of Italië.

 

Heb je een vmbo-diploma dan heten je kinderen Kevin of Kimberly, zij zitten op de buurtschool en gaan daarna naar het vmbo. Je woont in een huurhuis, kijkt naar RTL of  SBS, je volgt het nieuws via apps, als je stemt dan kies je voor PVV, SP of FvD, je gaat op vakantie naar Spanje of Turkije.

 

Tot slot

Wanneer we de balans opmaken dan zie je dat Nederland zich ingespannen heeft om een beleid van gelijke kansen te realiseren. En ondanks bezuinigingen in de studiefinanciering is het doel grosso modo behaald: iedereen is in staat om de opleiding van zijn niveau te volgen.

 

Deze gelijkheid van kansen leidt tot een ongelijkheid in uitkomsten. Er ontstaat een nieuwe ongelijkheid die door de dominantie en aanvaarding van meritocratisch ideaal, bijzonder hardnekkig is. Het begrip meritocratie suggereert dat het succes een eigen verdienste is. Een noodzakelijke voorwaarde voor dit succes is intelligentie. En aangezien intelligentie grotendeels erfelijk is er dus sprake van een geboortearistocratie. En wanneer vervolgens hoger opgeleiden voornamelijk trouwen met hoger opgeleiden wordt de kloof verdiept en verduurzaamd.

 

Natuurlijk zijn er voor lager opgeleiden mogelijkheden om succesvol te zijn. Je kunt het beste professioneel sporter worden, popmuzikant of volkszanger, vlogger of (en dat kun je als je het goed doet, lang uitmelken) BN-er worden. De makke is natuurlijk dat van alle voetballertjes die ervan dromen om een goedbetaalde prof te worden er maar heel weinig voetballers zijn die daadwerkelijk grootverdiener worden. En zo is het ook met de andere categorieën: succes is er voor de enkeling.

 

Opleidingsverschillen werken door op andere terreinen: partnerkeuze, leefstijl, gezondheid, opvattingen over maatschappelijke kwesties, politieke participatie e.d. De tegenstellingen tussen groepen hoger en lager opgeleiden worden groter en hardnekkiger.

 

We moeten af van het onderscheid hoger en lager opgeleid. Aldus roeptoeter Marianne Zwagerman “Lager opgeleid? Dat mag je nooit meer zeggen!” De zogenaamde lager opgeleiden zijn niet lager maar praktisch opgeleid. Zij pleit daarom voor een onderscheid tussen theoretische en een praktische opleiding. Was het echter maar zo simpel. Voor het streven om af te komen van de negatieve connotatie van een VMBO-advies is meer nodig. De wortel ligt bij het gegeven dat de Cito-toets (en ook het advies van de meester in groep acht) vooral cognitief bepaald is. Hoe anders zou het worden als de leerling niet alleen een cognitietoets zou maken maar ook een creativiteits-/techniek-/sporttoets. Op die manier kunnen veel meer leerlingen een positief advies krijgen. In ieder geval zeer heilzaam voor het zelfbeeld en het persoonlijk welbevinden.  

 

Noten

[1] Ipsos, 2017. Perils of Perception.

[2] Lilian Marijnissen bij haar aantreden in 2017 als fractieleider van de SP.

[3]  In de jaren vijftig en zestig waren academici met een arbeidersafkomst vrij zeldzaam. Mick Matthijs deed onderzoek naar de betekenis van die achtergrond voor de levensloop en loopbaan. In zijn boek Doorzetters  mooie illustraties over het ongemak dat zich soms voordoet. Soms door het gebrek aan cultureel kapitaal, soms door sociale angst, vaak ook als klasse verraad: ‘Zij dachten dat wij dachten dat we meer waren dan zij’.

[4] Hoger opgeleid wil zeggen een HBO of WO afgerond. Lager opgeleid: VMBO en MBO 1 en MBO2. Middengroep: Havo, Vwo, Mbo3 en Mbo4.

[5] Het gemiddelde is 100, 16% zit boven de 115 (intelligent tot zeer intelligent) en ongeveer 30% boven de 110.

[6] OECD in 2016: Het Nederlandse systeem van vroege selectie leidt tot ‘large student performance differences (…) and growing inequity in educational opportunities’.

[7] Bovens, 2010.

[8] Zie bijvoorbeeld NRC/Handelsblad van 9 maart 2013.

[9] Jennifer Pettersson in Het Parool van 24 maart 2018.

[10] Elffers, 2018.

[11] ESB, mei 2017.

[12] Young, 1958.

[13] Frank, 2017.

[14] Frank, 2017.

[15] Lodewijk Asscher in een interview met De Volkskrant van 27 april 2018.

[16] Swierstra en Tonkens, 2008.

[17] De gevangenispopulatie bestaat voor 30% tot 50% uit zwakbegaafden (zie Kees Vuyk, 2017).

[18] Een triest hoogtepunt is het nieuwe beleid van een koeriersbedrijf die chauffeurs niet betaalt op basis van tijd maar op basis van kilometers. Oponthoud als gevolg van files: eigen schuld!

[19]  Van de laagst opgeleide kiezers stemde 33% op de PVV, 50% op de PVV of  de SP. Van de hoogstopgeleiden stemden 3% op de PVV en 50% op GL of D66.

[20] SCP/WRR, 2014. Gescheiden werelden?

[21] Ook hier de kanttekening dat het hier gaat om een statistische relaties, het zegt niets over de opvattingen van een individu maar over de verschillen in kansen ten aanzien van opvattingen van individuen.

[22] Gebaseerd op de denkbeelden van Pierre Bourdieu.

[23] Bovens, 2011.


 

Gebruikte literatuur

  • Bovens, M., P.Dekker en W. Tiemeijer (red.) (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid.
  • Bovens, M. en A. Wille (2011). Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Amsterdam: Prometheus.
  • Bruggink, J. (2010). Bevolkingstrends 4e kwartaal 2009, CBS.
  • CBS (2013) Bevolkingstrends 2013: depressiviteit en antidepressiva in Nederland.
  • Dehue,T. (2010). De depressie-epidemie. Amsterdam/Antwerpen: Augustus.
  • Elchardus, M. (2002). ‘Onderwijs in de symbolische samenleving: zijn individualisme en meritocratie nog zinvol?’ Sociologische Gids 49 (3). 259-274.
  • Elffers, L. (2018). De bijlesgeneratie. Opkomst van de onderwijscompetitie.
  • Frank, T. (2017). Listen Liberal or What ever happened tot he party of the people? New York: Metropolitan Books.
  • Graaf, R. de, M. ten Have en S. van Dorsselaar (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. Nemesis, Netherlands Mental Health Survey an Incidence Study. Trimbosinstituut, Utrecht.
  • Hakkenes, A. en A. de Wijs (2012). Van Citotoets naar brugklas. Sociaal-economische trends, 1e kwartaal 2012, 65-79.
  • Ipsos (2017). The Perils of Perception.
  • Matthys, M. (2010). Onderzoek naar de betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden. Amsterdam: Aksant.
  • De sociale staat van Nederland. (2013). Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • De sociale staat van Nederland. (2017). Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Hoe ongelijk is Nederland. (2014). Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
  • Verschil in Nederland (2014). Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Swierstra, T. en E. Tonkens (2008). ‘De schaduwzijde van de meritocratie’. Socialisme & Democratie, jg. 68, no. 7/8, 37-44.
  • Vuyk, K. (2017). Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het oude verheffingsideaal. Utrecht: Klement.
  • Young, M. (1958/1994). The rise of the Meritocracy. New Brunswick: Transaction.