De eerste Nederlandse fascistische roman?

Bint, de Rietveldstoel van de literatuur (II)

 

‘Wij leven in een bezeten wereld’. De eerste zin van Huizinga’s boek In de schaduwen van morgen geeft een indruk van de stemming halverwege de jaren dertig. In Nederland heeft de economische krach van 1929 in combinatie met het gevoerde beleid, een verlammende werking. In Europa krijgen fascisten enorme politieke macht; de pessimistische gevoelens over de ondergang van de westerse wereld weerspiegelen in de titels van boeken die in deze tijd verschijnen: ‘De opstand der horden’ en ‘De ondergang van het Avondland’.

 

In deze context verschijnt Bint in 1934. Schooldirecteur Bint wil zijn leerlingen tucht bij brengen opdat zij zelfstandige en verantwoordelijke burgers worden. Dat beginsel brengt hij ijzerenheinig tot uitvoering. Gehoorzaamheid als noodzakelijke én voldoende voorwaarde voor de krachtige persoonlijkheden die hij wil vormen. In het schoolcijfer beoordelen de leraren niet zozeer de kennisvorderingen maar de gehoorzaamheid van de leerling, de bereidwilligheid tot luisteren.

 

‘De kroning der schoften’

Gezien de politieke en economische context van de jaren dertig is het niet verwonderlijk dat sommige literatuurvorsers vooral reageren op de inhoud, op wat zij zíen als de inhoud: een pleidooi voor een radicaal tuchtregime op een school. Een gezaghebbend criticus [i] gaat in 1935 geheel los in zijn beoordeling. De titel van zijn beschouwing ‘Bint of de kroning der schoften’ laat weinig te raden over. Hij ziet er een nazisysteem in, een verheerlijking van ‘ploerten en aberranten’.

 

De auteur is in zijn visie kwartiermaker van het nationaalsocialisme dat een jaar daarvoor in Duitsland aan de macht is gekomen. Nederlandse nationaalsocialisten lezen in 1940 het boek op dezelfde manier, zij zien er de boodschap in van onverbiddelijke tucht en blinde gehoorzaamheid aan een leider die de school zuivert van verkeerde elementen. Bordewijk wordt door hen de auteur van de eerste Nederlandse fascistische roman genoemd.

De pedagogische revolutie

Je kunt het boek ook lezen als bijdrage aan de discussie over het Nederlandse onderwijs [ii]. Aan het einde van de negentiende eeuw komt er een pedagogische vernieuwingsbeweging op, de Reformpedagogiek. Deze beweging keert zich tegen (het beeld van) de toenmalige schoolopvoeding.  In de traditionele school draait het om luisteren, discipline en de leerstof.

 

Het moet helemaal anders vinden de vernieuwers, het is tijd voor een copernicaanse omwenteling, het kind dient centraal te staan: het onderwijs moet zich aanpassen aan het kind en niet andersom. Vakken als gymnastiek, tekenen en muziek zijn net zo belangrijk als taal en rekenen en er wordt gepleit voor natuurlijk leren waarbij leerlingen actief leren met behulp van thema’s uit het echte leven.

 

De kindvriendelijke opvoedingsmethoden zijn populair maar tegelijkertijd ook omstreden [iii]. De zachtaardige kameraadschappelijkheid en verbroedering schieten volgens critici te ver door. Zij wijzen er ook op dat dergelijke nobele ideeën wellicht op de hogere niveaus (lees: hbs en gymnasium, waar slechts vier procent van alle leerlingen zit) aanslaan maar dat arbeiderskinderen op de ulo, mulo of de handelsschool (voorbereidend beroepsonderwijs, zoals de school van Bint) niet gebaat zijn bij zoveel zachtaardigheid [iv]

 

De pedagogische inzichten van de Reformpedagogiek zijn geen adequaat antwoord op de gezinsontwrichting, gezagsondermijning en ordeproblemen bij de gezinnen en op de volksscholen. Vandaar dat er door hen gepleit wordt voor tucht die het bederf weert en de karakters staalt [v].  Bordewijk is het hiermee eens, een Spartaans systeem is volgens hem volkomen op zijn plaats [vi].

 

Bint is een satirische uitvergroting van het idee van de schooldirecteur als fanaticus die zijn credo tot in het extreme uitvoert,  onverdraagzaam is jegens begaafde en/of afwijkende leerlingen en zijn systeem belangrijker vindt dan een mensenleven. Hoewel,  de man van staal krijgt uiteindelijk last van zijn geweten en verlaat zijn school.

 

‘Meneer, is het nog altijd oorlog?’

De lezer maakt het verhaal mee in verschillende rollen, de ene keer registreert hij als een cameraman de beelden, dan weer is hij een radioverslaggever die melding maakt wat hij ziet, hoort en voelt. En in een volgende scene verplaatst de lezer zich in het overpeinzingen van de hoofdpersoon wanneer hij op bed ligt in zijn kosthuis. De introductie van de hoofdpersoon:

 

De Bree zijn denken was hoekig en nors. De lucht lag laag morsig roetig. Novemberochtend. De wind danste lomp om de hoeken. De boerse reuzin viel over hem met de volle vracht van natte kleren. De Bree kampte even. Dit was een voorpostgevecht.’ 

 

De woorden lijken uit een mitrailleur te komen. De novemberwind wordt voorgesteld als een boerse reuzin die het op hem gemunt heeft, een metafoor die nog meer zwaarte krijgt wanneer je later ontdekt dat De Bree niets moet hebben van vrouwen. Het ‘kampen’ van De Bree is een voorbode van de strijd met de leerlingen uit de hel maar vooral ook met zichzelf. Zijn eerste les is in 4D, hij daalt af naar de kelder, de hel, en leest de namen van de leerlingen hardop voor: ‘Whimpysinger, De Moraatz, Neutebeum, Nittikson, Surdie Finnis, Te Wigchel, Kiekertak, Taas Daamde, Peert, Punselie, Bolmikolke, Klotterbooke…’

 

Hardgroen tandschimmel

De Bree verklaart de oorlog aan de klas. Van der Karbargenbok (‘Meneer, is het nog altijd oorlog?’) is de klos: nablijven en vervolgens schorsing voor vier dagen (Bint verandert dit, uiteraard zonder uitleg, naar één dag). Na zijn eerste les worden de nablijvers uit de hel geportretteerd:

 

Whimpysinger had hardgroen tandschimmel en rossige ogen. De Moraatz zijn tanden waren gewoon bruin. Zijn krieloogjes zonder wit pasten als een git in een ring. Zij keken met de woedende wanhoop van een rat, die wordt geworgd. Het hoofd van Heiligenleven, van breed naar spits, was tegen een troffel aangeboetseerd met slordige kwakken natte kalk. Het zat met een rare steel op zijn schouders. Hij was heel klein, enkel hoofd. Ten Hompel was weer anders. Hij hapte onder het werken naar een insect. Hij had een zwarte doggetronie.

De school in Bint is gebaseerd op de Handelsschool aan het Van Alkemadeplein in Rotterdam (weggevaagd tijdens het bombardement van 1940).  

Hij verbood het grijnzen evenmin als het ademen

Over het enige meisje in de klas: ‘De vrouw Schattenkeinder was een sloddervos met een ragebol. Tien toppen zaten dik onder de inkt. Ze kauwde aanhoudend. De Bree kwam er bij. "Mond open". Onmiddellijk geulde de mond. Hij was onbeholpen gebeiteld, een nat, rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.’ En dan is er Voorzanger: ‘Hij was een bleke jood met een bril’ en tot slot: ‘Nittikson was een groene gluiper, ogen die telkens draaiden naar de hoeken en omhoog, aldoor op de rand van een epileptische aanval. Soms kwam er gering schuim aan zijn mondhoeken.

 

Zijn tweede les in de hel kijkt De Bree langzaam rond: ‘Hij keek telkens naar de kleine sfinx vooraan opzij in de grote bank, naar het blok graniet van zijn hoofd. Het had van boven en van achter een dunne laag humus, daarop groeide een gewas, niet te determineren, met de kleur van een dolle kastanje. De kleine sfinx Klotterbooke nam De Bree toch zeer goed op. Twee-, driemaal spleet een ondoorgrondelijke lach het graniet scheef in twee. Dan sloot hij zich gelijk Sesam achter Ali Baba. Deze Klotterbooke infecteerde de hel die hem kort nagrijnsde, zonder geluid. De Bree liet het voor wat het was, na enig denken. Hij verbood het grijnzen evenmin als het ademen.

 

Het praten is in het boek tot het minimale gereduceerd, het draait om de actie. Overigens wil dit niet zeggen dat de tekst zakelijk [vii] is, integendeel. Op de eerste bladzijde maakt hij kennis met een grote, mollige man, de conciërge: ‘Hij had de stem van een weekdier, even later komt hij in het lokaal: ‘Hij was een groot bleek kalf met een gezwollen kalfskop, en in zijn borst sloeg een groot, koud kalfshart, heel langzaam. Met dikke witte wormvingers voelde hij aan de verwarming, verdween naar hoger.

#

 

Het verhaal over Bint, roman van een zender bestaat uit drie delen:

deel 1. Bint, de Rietveldstoel van de Nederlandse literatuur

deel 2. De eerste Nederlandse fascistische roman?

deel 3. Bint als ankerpunt voor de rest van je leven 

[i] Hans Anten, ‘Men haat de Tucht – en zij alleen maakt één en sterk’. In: Vooys. Tijdschrift voor letteren 23 (2005), p.6-21.

[ii] Anneke van Luxemburg-Albers, ‘Directeur Bint in de discussie over het onderwijs’. In: Nederlandse Letterkunde 4 (1999), p. 347-364.. Zij legt de nadruk op Bint als opleider van leerlingen uit volksbuurten die maatschappelijk niet veel kansen hebben.

[iii] In een recensie heeft Anthonie Donker het over ‘talrijke halfheden van deze tijd’ en over ‘paedagoochelarij’. Geciteerd bij Elly Kamp, Ferdinand en Johanna. Dubbelbiografie van schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk-Roepman. (Amsterdam 2006).

[iv] In onderwijskringen was er de roep om het tuchtrecht van de onderwijzer nauwkeurig vast te stellen naar aanleiding van een gerechtelijke uitspraak in 1933. In deze uitspraak was een ouder wiens kind thuis strafwerk had moeten maken door de rechter in het gelijk gesteld.

[v] De martiale terminologie wordt vaker gehanteerd. Spoelder heeft het in De taak van de docent (rede bij de aanvaarding van zijn lectoraat in de didactiek en methodiek van de klassieke talen in 1937) over ‘De docent schrome niet eenigszins op te treden als een sergeant-majoor-instructeur van de oude school.’ Geciteerd bij Elly Kamp.

[vi] Interview in de Haagse schoolkrant De stokroosstem, circa 1935.

[vii] De stijl wordt wel aangeduid met ‘De nieuwe zakelijkheid’ wat de lezer niet veel wijzer maakt: is er ook een oude zakelijkheid? En wat houdt het begrip eigenlijk in? Volgens de schrijver Frans Kellendonk is de stijl beter te benoemen als: ‘woest, grillig, werkelijkheidslievend, grotesk, uitbundig’. Geciteerd bij J. Vugs.