Voetnoten over onderwijs (I)

 

Anekdotes zijn vreemde gasten. Reuze populair in het café en op het verjaardagspartijtje maar verdacht in een beschouwend verhaal. Uit angst voor de dooddoener ‘anekdotische bewijsvoering’ wordt ie al snel buiten de deur gezet of opgeborgen in de een of andere voetnoot.

 

Zonde, omdat ze soms de kracht hebben de kern van een verhaal samen te ballen in enkele zinnen, zij verdienen soms een plek op het podium. In deze ultra korte onderwijsgeschiedenis worden er een paar uit de voetnotenkelder gehaald, ze zijn ontleend aan ‘Tussen idealen en dwalingen’, het boek verschijnt in januari 2023.

‘Ik vind kinderen zo leuk! Ik werk zo graag met kinderen!’

De roman De plasserparadox verhaalt over de ontwikkeling van Ratel en zijn vrienden, die aan de plaatselijke pedagogische academie (PA) studeren. Bij een kennismakingsbijeenkomst met de directeur laten de rekruten zich uithoren over hun motivatie. ‘Ik vind kinderen zo leuk! Ik werk zo graag met kinderen! In de hele wereld is niets me liever dan de omgang met kinderen! Ratel kon zijn oren niet geloven. […]

 

Hij ging naar de PA omdat zijn ouders hem afraadden om naar de kunstacademie te gaan, hij had geen idee van wat hij verder wilde […] en dus uit arren moede volgde in het voetspoor van zijn oudeheer, die dertig jaar eerder voor de kweekschool koos.

 

Was het voor de vader een manier om te ontsnappen aan een arbeidersmilieu, voor de zoon was het hoofdzakelijk een gratuite uitvlucht. Vooral de meisjes in de kring gedroegen zich als, wel … meisjes. Ze leken het idee te hebben dat het basisonderwijs in de praktijk neerkomt op een acht jaar durend speelkwartier.’ Gelukkig is er ook een ‘gedrongen dame’ met meer levenservaring en een stugge uitstraling.

 

‘In haar optiek zijn kinderen allerminst schatten met een kapitale S. […]’ Eerder dan adorabele wezentjes zijn het dwarse, egocentrische leemtes op de plaats waar je de schat verwacht. Geen nood, in de meeste gevallen is het een kwestie van doorgraven. En dat is waar het onderwijs een plek vindt.’

‘VMBO-K. Het meest voorkomende middelbareschooladvies dat kinderen in achterstandswijken krijgen.’

Het Smibanese woordenboek* windt er geen doekjes om, het weet de ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs in een enkel lemma te vatten. Die ongelijkheid zit er niet in dat leerlingen in de Smib ‘also  known as de Bijlmer of de Bims’ met een goed verstand en een hoge score bij de eindtoets niet door kunnen stromen naar havo of vwo, maar dat kinderen van ouders met een lage sociaal economische situatie – in het algemeen gesproken – een andersoortige opvoeding krijgen die niet goed aansluit op de cognitieve eisen van de school, het trainen van verbale assertiviteit en abstract taalgebruik en het prikkelen van intellectuele nieuwsgierigheid.

 

Kun je hier iets aan doen? Zeker. Er zijn veel leerlingen die meer tijd nodig hebben om te laten zien wat zij kunnen, voor hen komt de selectie op de basisschool (vanaf groep 6) te vroeg. Met het opschuiven van het selectiemoment zou je al een heel eind kunnen komen. Waarom is dat nog niet gebeurd?

 

De basisstructuur, de vroege selectie van de cognitief slimste leerlingen, bestaat al heel lang en is nooit gewijzigd. Nederland is een diplomademocratie: hoogopgeleiden hebben de meeste invloed en zij hebben het meeste voordeel bij het vroege selectiemoment. Zo lang dat niet verandert bepaalt de postcode van de leerling en zijn school het schooladvies en hebben kinderen in wijken met veel ouders met een lage inkomen en een lage opleiding in meerderheid een vmbo-kader schooladvies.

 

*Het Smibanese is een van de vele dialecten binnen het straattaaluniversum van Nederland. De Smib is een plek die voorloopt op het gebied van de straattaal; het Smibanese bevat, aldus de samensteller, de essentie van de Nederlandse straattaal.[Soortkill (2022). Smibanese woordenboek 2.0. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Pluim.]

‘Minachtingsporno’

Na zijn boek over populisme maakte Joris Luyendijk een theatertour. Aan het begin van zijn presentatie liet hij een filmpje zien van een vrouw in een rolstoel die een roos geeft aan Geert Wilders tijdens een protest tegen de komst van een AZC. De interviewer vraagt waar zij bang voor is. Zij antwoordt: ‘Mijn pleegzoon van 21 vindt geen werk en hun vinden binnen vier maanden werk.’

 

De interviewer: ‘Hoe weet u dat?’ Mevrouw: ‘Dat heb op Facebook gestaan.’ De zaal vol hoogopgeleiden ligt dubbel.

 

Luyendijk: ‘Dit is mijn lievelingsfragment.’ De zaal ligt plat.

 

Luyendijk: ‘Ik kan uw minachting voor deze mevrouw niet beter samenvatten.’ Stilte. Vervolgens legt hij uit dat het best mogelijk is dat haar pleegzoon laagopgeleid is en last heeft van een verdringingseffect op de arbeidsmarkt terwijl de hoogopgeleiden in de zaal met hun koophuizen en dure banen hier geen last van hebben.