Het raadsel-Rutte

Biografen zijn er dol op. Zij spitten en speuren op zoek naar die ene gebeurtenis in het verleden van hun hoofdpersoon die een scharnierpunt vormt voor zijn ontwikkeling. Jaloers kijken zij naar de literatuur. 

Daar is het klip en klaar. In de roman Zwarte Schuur viert de hoofdpersoon zijn succes als beeldend kunstenaar. Zijn schepper zet de lezer al snel op het spoor van een jeugdtrauma: hij is als jongen van veertien door een vriendinnetje gekwetst (‘je lijkt wel een meisje’), deze kleinering leidt tot een tragisch ongeluk dat zijn ontwikkeling bepaalt.

 

Ik ben nieuwsgierig naar een beslissend moment in de biografie van een van de meest succesvolle politici van Nederland?  Is er een gebeurtenis aan te wijzen die bepalend is voor zijn ontwikkeling? Wat drijft de man? Wie is hij?

 

Hij voert vanaf 2010 kabinetten van diverse politieke kleur aan die nauwelijks of geen steun van een parlementaire meerderheid hebben. Hij heeft getoond een ware politieke Houdini te zijn, hij kan zaken doen met een rabiate populist, met een steile calvinist en ook heeft hij ooit een pacifistisch angehauchte tegenstander weten te verleiden tot steun aan een schimmige militaire operatie. Hij is een meester in het vinden van geitenpaadjes en zijn ultieme manoeuvre is om op het laatste moment snel, radicaal en toch elegant van standpunt te veranderen.

De ultieme makelaar

Het idee van causaliteit oogt zo simpel: A leidt tot B. Maar in de literatuur en in de biografie ligt het, aldus Jannah Loontjens, helemaal niet zo simpel. Als je begint met een verhaal kan het nog alle kanten op. Dat geldt, zegt McEwan, ook voor de geschiedenis: ‘Het heden is het zwakste van de onwaarschijnlijke constructies. Het had anders kunnen zijn.’ Je kunt dus pas achteraf het begin aanwijzen. Ons gevoel van oorzakelijkheid is gebaseerd op een omkering, we kunnen een oorzaak niet als oorzaak beschouwen zolang we het gevolg niet kennen. We ervaren een gevolg en wijzen dan naar een oorzaak. In die zin komt het gevolg eerst.

 

Je zou kunnen beweren dat zijn succes een gevolg is van de hedendaagse politieke situatie. Een Nederlandse premier moet in een tijd waarin er geen stabiele dominante partijen meer zijn en kiezers permanent op drift, voortdurend op zoek naar stemmen. De politicus is niet meer de bevlogen dominee. Een politicus die, gegrepen door een ideaal, de verheffing van bevolkingsgroep zus of zo, de boer op ging om hiervoor steun te verzamelen en kiezers probeerde te overtuigen dat zijn ideeën de weg naar een betere samenleving plaveide. Een soort politicus die bij voortduring strijd moest leveren.

 

Rutte is meer de hosselaar. Zijn ideaal is om de ideologie uit de politiek te halen. En daarvoor heeft hij een even handige als compacte tas met gereedschap ontworpen: sfeer maken, contacten met jan en alleman onderhouden, praten en paaien en als het moet meeveren en nooit een rode lijn trekken. Het profiel van de ultieme makelaar in de politiek.

Een denkraam doet zich gewichtig voor  

Dat laatste tekent deze politicus ten volle. Hij heeft geen visioen waar het naar toe moet, in tegendeel hij gruwt van visie, van politici die met onwrikbare standpunten verzeilen in de  loopgraaf van het eigen gelijk. Dat verschaft hem een lichtheid van denken. Een denkraam doet zich altijd gewichtig voor maar juist daardoor staat hij soms de oplossing in de weg. In de woorden van filosoof Paul Wouters: ‘Het lijkt wel een meneer die jouw hulp inroept en daarmee pontificaal de weg naar de plaats des onheils verspert.’

 

Zijn onthechtheid biedt hem niet alleen de ruimte om onbevangen te denken maar is ook een bescherming tegen zwaarte. En dat komt hem goed van pas, een leider die iedere dag gebukt onder de problemen op kantoor komt wekt eerder medelijden dan vertrouwen. Misschien is dit ook wel de verklaring waarom zijn zware ambt geen zichtbare sporen van slijtage te zien geven. 

 

Het leven is een verzameling scenes. Achteraf maak je er het verhaal van dat je leven heeft gevormd. Als nakomertje in een samengesteld gezin kent hij een zorgeloze jeugd. Vader zit in de handel maar er heerst thuis geen dominante liberale sfeer. Wel is er het gezinsmotto: meer ruimte voor bedrijven, een opvatting die hij tot in zijn vezels verinnerlijkt. Hij geniet een grote vrijheid, kan goed leren en speelt met veel plezier piano. Hij wordt ontroerd door muziek,  zijn grote droom is toppianist te worden.

 

Toen in zijn jeugd duidelijk werd dat hiervoor het echte toptalent ontbrak zette hij al zijn kaarten op de politiek. Hij wordt lid van de jongerenorganisatie en begint zijn mars door de club. Hij wordt al snel voorzitter. Tijdens zijn jonge jaren hangt op het kantoortje een foto van hem en zijn kompanen met als bijschrift ‘Kabinet Rutte-I’.

De geboorte van de HWN'er

De dood van zijn vader wanneer hij nog jong is, begin twintig, en nog veel meer het overlijden van zijn broer vlak daarna, doen hem beseffen dat je maar een keer leeft. Volle kracht vooruit dus. Na zijn afstuderen gaat hij werken bij de Unilever. Het openbaar bestuur trekt hem echter meer dan het verkopen van potten pindakaas en zodra hij de kans van zijn politieke vrienden krijgt, maakt hij de overstap. Hij maakt deel uit van een clubje rond de toenmalige politiek leider. Na diens aftreden geeft hij het stokje door aan zijn jonge vriend.

 

Zijn eerste verkiezingen leveren een fors verlies op en loopt uiteindelijk uit tot een titanenstrijd met een stemmentrekker uit eigen huis. Zijn cursus straatvechten en de steun van partijbonzen redden zijn politieke leven. En vervolgens moet hij op zoek naar een verhaal, het antwoord is van een onthutsende eenvoud: ‘ruimte voor mensen, de staat is geen geluksmachine’.  Het ontketent geen enthousiasme.

 

Het keerpunt komt in 2009, tegenover een zwak en ruziemakend kabinet krijgt hij vrolijk debatterend met oneliners, de Hard Werkende Nederlander wordt hier geboren, de handen op elkaar. Ook omdat de leiders van andere middenpartijen uitgeblust in de touwen hangen, wordt hij de grootste in 2010. Hij heeft zijn baantje.  

 

Onder zijn leiding wordt zijn partij een machtsfactor. De man die zegt een hekel te hebben aan het begrip ‘visie’ heeft met voortvarendheid én met wisselende partners het motto van zijn ouderlijk huis als leidraad van zijn kabinetten gemaakt. Meer markt, minder overheid. Het resultaat is een economie die draait als een tierelier (tot de coronacrisis) met ons land als belastingparadijs.

 

Althans, voor grote bedrijven. Zelf spreekt hij graag over een ‘gaaf’ land. En inderdaad in vergelijking met andere landen is Nederland vanwege de mix van vrijheid, gelijkheid, welvaart en sociale voorzieningen een van de fijnste landen van de wereld. Maar moet het niet veel beter?

 

Is het niet beschamend bijna een kwart van alle jongvolwassenen onvoldoende leesvaardig is? Nederland is op het gebied van leesvaardigheid van koploper tot achterblijver in de Europese Unie geworden.  En zo knarst en kraakt de publieke sector als nooit tevoren en worden problemen als klimaatopwarming, ongelijkheid tussen arm en rijk en migratiestromen niet of halfhartig aangepakt. In dit perspectief doet zijn kniezen over de verlaagde maximale snelheid op autowegen armzalig aan.

De groei van het pantser

Zijn lichtheid is soms onverdraaglijk, zijn weglachen irritant, zijn koppigheid in het plezieren van het grootkapitaal stuitend.  Zijn kwaliteit is om bij nationale rampspoed als MH-17 en coronacrisis, te schakelen naar de staatsman-modus: de grappen zijn weg, het gezicht strak, de spanning is terug in het lijf en naar vorm en inhoud is hij de staatsman  die boven de partijen staat en zijn dagelijkse populistisch liberalisme resoluut terzijde schuift.

 

Gek genoeg lijkt hij hierin op zijn tegenpool Den Uyl die bij nationale crises afstand kon nemen van zijn socialistische domineeschap en zichzelf transformeerde tot staatsman. Beide politici oogstten in dergelijke situaties lof van links tot en met rechts en vice versa.

 

Oom Piet vindt dat politici zakkenvullers en leugenaars zijn. Rutte is het tegenbeeld van een graaier, hij geeft niet om geld, woont in een eenvoudig appartement, rijdt een oude auto en kan in zijn vrije tijd uitgetekend worden in jeans, hoodie en sneakers. Een politicus heeft echter een machtsbasis nodig: kiezers. Hij moet op piekmomenten voldoende steun verwerven en zijn potentiële kiezers zitten vooral bij rabiaat rechts.

 

En dus zien we hem dingen beloven (‘iedereen 1.000 Euro’, ‘geen cent meer voor de Grieken’), hamert hij op pretjes voor zijn achterban (‘130 km’) en om verlies aan de populisten te beperken laat hij zich verleiden tot populaire praatjes (‘opsodemieteren’, ‘zelf in elkaar slaan’). Het is niet de slechtheid van de politicus zoals oom Piet denkt, het is de taal van de politicus die uit is op macht die zijn aanhang wil uitbreiden door zich te verlagen tot een bedenkelijk moreel niveau.

 

Ik kan zijn prestaties beschrijven, zijn ontembaar optimisme en zijn flexibiliteit. Een wendbaarheid overigens die hij in de persoonlijke sfeer met een streng volgehouden behoudzucht compenseert. Wat blijft is het raadsel-Rutte.

 

Er is die geheimzinnige status van vrijgezel. Een enkele keer laat hij in interviews iets merken van een soort eenzaamheid. Na een lange vergaderdag is er geen mevrouw (of meneer) die hem toefluistert: ‘Mark, geen woord meer over Angela of Emmanuel, kom lekker naast me liggen’. Macht erotiseert, maar waarom niet bij Mark Rutte?

 

Hij heeft niets met status dat maakt hem in de politiek onkwetsbaar. Zijn politieke profiel is inhoudsloos, het is gericht op het onderhouden van talloze contacten in de wetenschap dat je   als politicus op de juiste momenten afscheid moet nemen van politieke vrienden die hun draagvlak hebben verloren. Is het misschien zo dat zijn totale onthechting leidt tot een verdikking van zijn huid waardoor hij in de politiek schier onaanraakbaar lijkt maar die in het gewone leven verwordt tot een pantser van zijn ziel dat werkelijke intimiteit onmogelijk maakt?