AKU

de moeizame verhouding met ons koloniale verleden

 

Samen met mijn makelaar sta ik op het balkon van een te bezichtigen appartement. We kijken vanaf vierhoog om ons heen. Voor ons een trapveldje met twee kleine eenzame doelpaaltjes, links bevindt zich een rijtje eengezinswoningen uit het begin van de 19e eeuw. Het aanpalende buurhuis heeft aan de zijkant een donkergrijze wand. In het cement is het muurgedicht AKU (Ik) gekalligrafeerd. Verwering heeft de schildering inmiddels flink aangetast, vreemd genoeg is het daardoor nog mooier geworden.

 

Kalau sampai waktuku

‘Ku man tak seorang’kan merayu

Tidak juga kau

Tak perlu sedu sedan itu

Aku ini binantang jalang

Dari kumpulannya terbuang[1]

 

Ik had de makelaar nog helemaal niet over het gedicht gehoord. Deze beroepsgroep is altijd tuk op ‘prachtige originele details’, als het om poëzie gaat geeft ze niet thuis. Niet echt verwonderlijk, Multatuli schiep niet voor niets Batavus Droogstoppel om de bekrompen blik van de Nederlandse makelaar aan de kaak te stellen. Ik wees haar op het gedicht.  ‘Ik denk dat het Maleis is’, zei mevrouw de makelaar. 

 

 

Het gedicht AKU is van Chairil Anwar (1922-1949). Hij schreef het gedicht in 1943, het was in die tijd een opmerkelijk geluid. Terwijl de Indonesische nationalisten opriepen tot eenheid in de bevrijdingsstrijd tegen Nederland schreef hij dit gedicht tegen onderdrukking maar benadrukte daarbij het individualisme. Hij schreef over ‘ik’ die als eenling zijn eigen weg kiest ook als dat een weg van strijd en confrontatie is. Later, na zijn dood, is AKU een icoon geworden van de strijd voor onafhankelijkheid. Niet voor niets is het gedicht in het Indonesisch geschreven en niet in het Maleis.

 

Thierry Baudet sprak over de teloorgang van de grootste en mooiste beschaving; een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek. Wij, Nederlanders, maakten deel uit van deze beschavingsfamilie. Het lijkt warempel wel alsof we dominee Wawelaar weer aan het woord horen: ‘De schepen van Nederland bevaren de grote wateren, en brengen beschaving, godsdienst, Christendom, aan den verdoolden Javaan.’[1]

 

Chairil Anwar had meer het beeld van de roofstaat aan de Noordzee, een koloniale macht die zijn land exploiteerde en niet terug schrok voor het rücksichtslos vernietigen van mensen die in opstand kwamen tegen de koloniale grootmacht.

 

Sinds 1992 is de stichting Tegen-Beeld actief om in Leiden gedichten in alle talen op muren aan te brengen.  De stad telt nu meer dan 120 muurgedichten. De kalligraaf Jan-Willem Bruins maakt deel uit van de harde kern van de stichting. Hij schildert uit de hand, de belettering past hij aan bij het gedicht.  Hij haalt twee of drie regels per dag, dat hangt af van de ondergrond. ‘Sommige stukken zijn glad als marmer, elders is de steen aan het vergruizen of zijn er kuiltjes waar de verf in kan lopen. Je praat de hele dag tegen de muur, om te zeggen dat ie moet meewerken.

 

Het muurgedicht AKU is in 1995 op de muur geschilderd. Bruins heeft voor het gedicht het beeld van een gordijn van bamboestokken gekozen als ware het tralies. Destijds was het gedicht vanaf de nabijgelegen Burggravenlaan goed zichtbaar. In 2000 werd er echter een klein appartementencomplex naast het huis gebouwd waardoor het gedicht vanaf de openbare weg niet meer zichtbaar is.

 

Het lijkt een vingerwijzing dat sommige mensen de gruwelijke aspecten van ons koloniale verleden het liefst willen verbergen.

[1] IK/Als mijn tijd gekomen is/wil ik van niemand rouw/Ook niet van jou/Niks geen gesnik en gesnotter/Ik ben een eenling geworden/Uitgestoten uit de horde. Zie voor het volledige gedicht: muurgedichten.nl

[2] Multatuli (1860), Max Havelaar. Volledige Werken (1950), blz. 128. Amsterdam: G.A. van Oorschot.