[Fragment 1 uit hoofdstuk V: vijven en zessen]

Opruiende gedachten van een professor 

Het Nederlandse onderwijs is gericht tégen leerlingen. Het is een selectiemachine die voortdurend in de weer is met leerlingen af te wijzen in plaats van goed na te denken over wat het met leerlingen wil bereiken.

 

“Het Systeem is oneerlijk en onzedelijk, het moet radicaal veranderd worden”

De Groot  windt er in zijn boek vijven en zessen; cijfers en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs, geen doekjes om, hij trekt ten strijde tegen het Systeem: “Het Systeem is oneerlijk en onzedelijk, het moet radicaal veranderd worden”. [1]

 

Hij roept op tot de strijd, al doet hij in de slotzin enigszins afbreuk aan zijn eigen strijdbaarheid: “[…] ik ben zelf te druk bezet als te veelzijdig in onderwijszaken geëngageerd om hierin enige rol […] te kunnen vervullen”.

 

Hij vindt dat de docenten in het voortgezet onderwijs hun leerlingen lukraak beoordelen, een en hetzelfde proefwerk scheikunde kan bij de ene docent een zes opleveren en bij een andere een vier. Ook is de school bezig om leerlingen permanent te selecteren, voortdurend blijft een aanzienlijk deel van de leerlingen zitten op basis van krakkemikkige cijfers en beoordelingen.

 

Achter die zin had De Groot zelf met groot enthousiasme een uitroepteken geplaatst.

vijven en zessen is geen wetenschappelijk getoonzet boek, de onderzoeksresultaten die hij vindt, raken hem. [2] De leerlingen die veel vijven en zessen scoren, wordt onrecht wordt aangedaan. Dat sleept hem mee in een emotioneel betoog doorspekt met uitroeptekens en uithalen.

 

Het Systeem dat dit onrecht veroorzaakt, moet aangepakt worden, er moet een Deltaplan komen voor het fatsoenlijk beoordelen van leerlingen!

 

Beste psycholoog van de twintigste eeuw

Het boek verschijnt in 1966. De felle aanklacht, de oproep tot protest past in de jaren zestig waarin vele vanzelfsprekendheden van het gedrag en de overtuigingen van gezagsdragers ter discussie werden gesteld. De Groots strijdkreet maakt hem tot een van de aanstichters van de hervormingsgolf.

 

De tijdgeest haalt De Groot links in. Hij wordt vanwege publicaties over selectie de kop van jut bij radicale studentengroepen, hij neemt stelling tegen de democratisering van de universiteit en verzeilt met zijn opvattingen in het andere kamp. Zijn hoogleraarschap in Amsterdam verliest zijn glans.

 

Zijn aanstelling werd verplaatst naar Rijksuniversiteit Groningen waar hij tot ver na zijn emeritaat doorwerkte. [3]

 

Volgens deskundigen in Psychologie Magazine was De Groot de beste Nederlandse psycholoog van de twintigste eeuw.

Instituut zonder cijferdwang

Op het moment van zijn vijven en zessen was hij al geruime tijd hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Na een studie in de psychologie promoveerde hij in de Wis- en Natuurkunde en startte als docent wiskunde op een middelbare school. 

 

Na een paar jaar gaat hij psychologie geven aan de Universiteit van Amsterdam en specialiseert zich in methoden en technieken van onderzoek. Zijn Methodologie werd jarenlang een veel gebruikt handboek in allerlei sociaalwetenschappelijke opleidingen. Hij schreef veel wetenschappelijke artikelen over onderwijsproblemen als selectie, doorstroming en toetsing.

 

Voor het grote publiek werd hij bekend door vijven en zessen, het boek beleefde tien herdrukken (de laatste in 1983) en werd in verschillende talen vertaald. De Groot verwierf niet alleen bekendheid maar ook grote invloed.

 

Zijn roep om objectieve toetsen in het onderwijs resulteerde in 1968 tot de oprichting van het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (CITO). Dit instituut presenteerde zich bij de oprichting op de persconferentie als een ‘Instituut contra cijferdwang’.

 

Het effect van het onderwijs zou voortaan op een objectieve wijze kunnen worden vastgesteld: ‘De docent zal zichzelf gaan bezinnen op de stof die hij geeft. Hij kan door de uniforme testen precies constateren welk deel van zijn stof zinvol en welk deel nutteloos is.’

 

Dit betekende dat ook ‘de kwaliteit van de docent’ kon worden ‘becijferd’ en dan was het ‘best mogelijk’ dat hierdoor ‘de leerlingen minder en de leraren meer onvoldoendes zullen behalen’. [4] Niet alle  leraren reageerden hier erg enthousiast op.

 

Berg de schoolcijfers op in de opvoedkundige gruwelkamer opbergt

Een leraar houdt zich bezig met het bevorderen van het leerproces. Dat houdt ook in dat hij regelmatig de resultaten van dat leerproces controleert en toetst. In de praktijk bekogelt de school de leerling met allerlei cijfers uit de bekende 1 tot en met 10-schaal.

 

Die cijferschaal is geen vanzelfsprekendheid, niet alleen kennen nogal wat landen andere schalen, ook in Nederland  heeft het ook een tijdje geduurd voordat de 10 puntschaal in Nederland dominant werd [5].

 

De Groot is kritisch over deze cijferschaal: we hebben evenveel voldoende als onvoldoende cijfers [6], dat alleen al suggereert dat onvoldoendes eigenlijk ‘normale’ cijfers zijn; je moet er alleen niet teveel van hebben.

 

De Groot oordeelt streng, schoolcijfers suggereren een objectiviteit en exactheid die er niet is. [7]

 

Hij maakt bovendien gehakt van het beoordelen van docenten, wat ten koste gaat van leerlingen, althans van de zwakkere leerlingen; de ‘goede’ leerlingen hebben weinig last van het systeem, zij doorstaan iedere vorm van toetsing hoe primitief of onvolkomen ook.

###

1. Groot, A.D. de (1966). vijven en zessen. Cijfers en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs. Groningen: Wolters-Noordhoff. Naar de mode van die tijd werd de titel vijven en zessen geheel in onderkast geschreven.

2. De Groot leunt op onder andere gegevens van Brouwers en Posthumus. W.J. Jong wijst erop dat De Groot nogal generaliseert en zich baseert op gegevens over grote stads-HBS-en en die uit Nederlands-Indië. Zie: Jong, W.J. (1967). Selectie bij het onderwijs: het drama van de zesjaarse. In: De Nieuwe Stem, jaargang 22.

3. Mellenbergh, G.J. en W.K.B. Hofstee (2006). Herdenking Adriaan Dingeman de Groot. In: KNAW (Ed), Levensberichten en herdenkingen (pp 27-30). Amsterdam: KNAW.

4. Rooy, de P. (2018). Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

5.Lange tijd geleden hielden gymnasia nog vast aan een cijferschaal van 1-5.

6. Althans op dit moment. Het cijfer 5 heeft een interessante migratie meegemaakt, voor 1930 was het ‘(net) voldoende’; er waren echter docenten die stelden dat je op een rapport met louter vijven toch zou blijven zitten. Na 1930 is de betekenis: (net) onvoldoende.

7. Docenten konden tijdens rapportvergaderingen nog wel eens met veel aplomb melden: “Deze leerling is voor mijn vak eenvoudig een 4, meer kan ik er niet van zeggen”.



[Fragment 2 uit hoofdstuk VI: Een onmogelijk beroep?

Een onmogelijk beroep?

Tekening Peter van Straaten

‘Droogkloten, mislukte intellectuelen, maatschappelijke outcasts’

Onderwijzen is het meest zichtbare beroep in onze samenleving. Iedereen kan er over meepraten, velen hebben herinneringen aan die ene meester of juf op de basisschool of beelden van docenten in het voortgezet onderwijs. De saaie lesboeren, de inspirerende rolmodellen, de bullebakken, de popiejopies, de leraren die geen orde konden houden, de cynische oude rotten. Geen beroepsgroep met zoveel karikaturen.

 

Bij een columnwedstrijd voor leerlingen schreven leerlingen over alles wat hen bezig hield. [1] Dus ging het ook over leraren. Simone Gablan begint haar bijdrage zo:

 

‘Leraren zijn vreemde wezens. Ergens in hun leven hebben ze besloten jonge onwetende mensen iets bij te brengen. En ergens tijdens hun docentschap komen ze er achter dat ze de druk niet aankunnen of dat ze eigenlijk zelf misschien wel begeleiding nodig hebben”.

 

En Iris de Graaf schrijft: ‘Leraren. Over het algemeen worden ze omschreven als enigszins vreemde, vaak niet erg welriekende volwassenen, die in het algemeen vooral irritaties opwekken. Soms brengen ze je wat bij, maar meestal niet doordat de stof zo interessant is.’ 

 

De literatuur kan er ook wat van, ‘het wemelt daar van de leraren, meestal voorgesteld als kleurloze of hulpeloze types.’ [2]

 

Een andere scribent is nog wat uitgesprokener: ‘Het zijn vrijwel altijd impotente buienstaanders, mislukte intellectuelen, maatschappelijke outcasts met een minderwaardigheidscomplex, droogkloten en dorre juffrouwen.’ [3]

 

Schrijver Oscar van den Boogaard: Leraren zijn vreselijke mensen. Altijd maar klagen. De lerarenkamer is mijn voorstelling van de hel.’

 

En ook: 'Leraren zijn losers. Er is geen andere beroepsgroep die zich zo laat uitbuiten als de leraar, die zoveel onbetaalde uren maakt, die zo weinig status heeft en die zoveel klagers kent, leraren zijn natuurlijk ook nog eens enorme zeikerds.' [4]

 

Deze beelden zijn niet nieuw. Erasmus doet in Lof der Zotheid een flinke duit in het zakje: … Eeuwig hongerige armoedzaaiers zijn het, die in hun schooltjes – schooltjes? Nee, zorginrichtingen, of liever tredmolens en martelkamers- tussen het schoolvee oud worden van het zwoegen, doof door het geschreeuw, versleten door de stank en het vuil. Maar dankzij mijn gunst zijn ze in hun eigen ogen de nummers één onder de mensen, zo genieten ze van zichzelf op het moment dat ze hun angstige klas met dreigende blik en stem laten sidderen…’

 

En verderop: ‘Maar wat ze nog gelukkiger maakt is dat ze een eigenaardig geloof in hun eigen geleerdheid hebben.’ [5]

Tekening: Peter van Straaten

Troostend is te weten dat het in het algemeen wel goed komt met het beeld van de docent. Alleen duurt het soms wat lang.

 

‘De tragiek van de leraar is dat je er pas veel later achter komt hoe geweldig ze waren, hoe bijzonder ze waren en hoe noodzakelijk voor je leven.

 

Ze lijken nog het meest op ouders, die door dezelfde puberkinderen ook voor losers worden uitgemaakt en die als ze zelf kinderen hebben eindelijk snappen hoe geweldig je eigen ouders waren. Mensen die zeggen dat leraren losers zijn, zitten zelf nog een beetje in de puberfase.’ [6] 

 

Wat is er toch zo speciaal aan dat beroep? Van Freud is de uitspraak dat onderwijzen, genezen en regeren onmogelijke beroepen zijn. Saskia van Oenen (Neerlandicus, onderwijsjournalist en gepromoveerd op onderwijsvernieuwer Jan Ligthart) en Sjoerd Karsten (hoogleraar onderwijskunde) hebben lang na Freud een poging gedaan te achterhalen wat er zo onmogelijk is aan het beroep.

 

In hun boek, Onderwijzen, een onmogelijk beroep maken zij een historische schets over de moeilijke kanten van dat beroep, hoe de omgeving naar de onderwijzers kijkt en over hun zelfbeeld. [7] 

 

De leraar kampt vanaf het begin met de hoge verwachtingen van de ouders. [8] Zij brengen hun kostbaarste bezit naar school in de verwachting dat de leerkrachten alle talenten van hun spruiten te volle kunnen ontwikkelen. Op het schoolplein worden commentaren met hartstocht gedeeld, er is geen beroep waar zoveel stuurlui aan de wal staan en waar het schip zo dicht bij de oever vaart.

###

1. Columnwedstrijd voor leerlingen, georganiseerd door de Volkskrant, 2007.

2. Rob Schouten in Trouw, 2008.

3. Kees ’t Hart in De Groene, 2008.

4. Bouma, J-D. (2016). Puberfase. In: Goossens, J. e. a. (2016). De leraar die mijn leven veranderde. Amsterdam: Thomas Rap.

5. Erasmus, D. (1511/2018). Lof der zotheid. Amsterdam: Atheneum.

6. Bouma, J-D. (2016). E.a.w.

7. Van Oenen en S. Karsten, (1992). Onderwijzen, een onmogelijk beroep. Schetsen uit de geschiedenis van het onderwijzen. Groningen: Wolters-Noordhoff.

8. Het onderscheid tussen onderwijzer en leraar is verdwenen. Vanwege het historische karakter van het boek wordt soms de term onderwijzer nog gebruikt voor de leraar in het basisonderwijs.